The Body’s Legacies Pt. 2: The Postcolonial Body

    19/05  | 19:00
    20/05  | 21:30
    21/05  | 19:00

€ 8 / € 6
50 min
FR > NL/EN

In zijn essayistische film The Body’s Legacies Pt. 2: The Postcolonial Body gaat Kader Attia op zoek naar de perceptie en beleving van ‘het raciale lichaam’ in de publieke ruimte. Hoe geven geschiedenis, hedendaagse politiek, economie en architectuur vorm aan het lichaam? Vier intellectuelen en activisten delen hun visie op dit onderwerp. De vertelling schippert tussen individuele ervaringen en een bredere analyse, met als centraal verhaal het politiegeweld tegen de jonge Théo Luhaka, in februari 2017 in een Parijse voorstad. Op lucide wijze en met veel precisie laat Kader Attia zien hoe de erfenis van koloniaal geweld en diverse vormen van racisme in het lichaam zijn gegrift, hoe ze het zelfbeeld aantasten en een fysieke impact hebben op de manier waarop het zich in de publieke ruimte bevindt. The Body’s Legacies gaat expliciet in tegen de manier waarop dit thema doorgaans wordt voorgesteld in de media, waar men spreekt over de lichamen van anderen en ze reduceert tot zwijgende objecten.

Zie ook: Talk: The body: conquests and resistance
21/05 – 20:00
FR/NL
Gratis toegang
Met: Olivier Marboeuf, Mireille-Tsheusi Robert en Yassine Boubout 
In samenwerking met: Black Speaks Back

Zie ook: Free School: The Politics of Sexuality

Een film door: Kader Attia
Met: Norman Ajari, Amine Khaled, Olivier Marboeuf en Louisa Yousfi
Boventitelen: Babel Subtitling 

Presentatie: Kunstenfestivaldesarts, Cinema Palace Met de steun van L’Institut Français en de Franse Ambassade in België, in het kader van Extra

Back to top

Ontmannelijkheid. De zwarte man: een onbewoonbaar gender

“To choose to write on Black males is to accept that you and they are in conversation with death.”
Curry Tommy J., The Man-Not, 2017, p. 141.

Op 2 februari 2016 wordt Théo Luhaka, na een identiteitscontrole op basis van zijn huidskleur, in de Parijse voorstad Aulnay-sous-Bois door een politieagent verkracht met een uitschuifbare wapenstok. Hij houdt er ernstige verwondingen en een permanente handicap aan over. Op 19 juli 2016, in Beaumont-sur-Oise, eveneens in de Parijse banlieue, wordt Adama Traoré achtervolgd en staande gehouden na een soortgelijke identiteitscontrole. Om hem in bedwang te houden, wegen drie gendarmes met al hun gewicht op zijn lichaam; hij sterft enkele uren later, nog steeds geboeid, in de gendarmeriekazerne. De lijst is lang. Volgens een rapport uit januari 2018 van de Franse Défenseur des droits (Ombudsman) lopen jonge zwarte en Arabische mannen twintig keer meer risico om door de politie op hun identiteit gecontroleerd te worden. De Franse gevangenisbevolking telt meer dan 95% mannen. In een huis van bewaring waar hij een grondig onderzoek uitvoerde, stelde antropoloog Didier Fassin vast dat “zwarte en Arabische mannen twee derde van alle ge-detineerden vormen en zelfs meer dan drie-kwart in de categorie onder de 30 jaar, die de helft van de totale gevangenisbevolking uitmaakt”. (1) Die verhouding van niet-blanke mannelijke gevangenen is vergelijkbaar met de situatie in de Verenigde Staten. (2)

Dat staatsgeweld is duidelijk erg raciaal gekleurd. (3) Die stelling wordt nog verder onderbouwd door het kolonialistische verleden (dat teruggaat tot de voorgeschiedenis van de Algerijnse oorlog) van de politieteams die doorgaans worden belast met de ordehandhaving in de Franse achterstandsbuurten, waar het gros van het (sub-)proletariaat van Afrikaanse en Arabische origine leeft. De meeste slachtoffers van het staatsracisme blijken duidelijk tieners en jonge mannen met een donkere huid te zijn. Niettemin lijkt een vreemde blinde vlek de commentatoren en intellectuelen te verhinderen dat geweld vanuit een genderperspectief in vraag te stellen. Alles wijst er immers op dat zwarte en Arabische mannen wel degelijk de slachtoffers zijn van gendergerelateerd geweld. Omdat ze juist die groep viseren, zetten de politiediensten overal in de stedelijke ruimte mobiele checkpoints op, die niets meer zijn dan verholen identiteitscontroles op basis van etniciteit. De zwarte Amerikaanse filosoof Tommy Curry benadrukt terecht dat wie beweert dat gender geen rol speelt in het racisme tegen zwarte mannen in de Verenigde Staten, niet kan uitleggen hoe het komt dat die groep in veel grotere mate dan niet-blanke vrouwen wordt gecriminaliseerd, opgesloten en vermoord, of nog het slachtoffer is van politionele misdaden. (4)

De queer theoreticus Jack Halberstam stelt dat “in deze samenleving mannelijkheid appelleert aan noties als macht, legitimiteit en privilege; mannelijkheid verwijst vaak symbolisch naar de staatsmacht en naar de ongelijke verdeling van de rijkdom.” (5) Maar denkt men aan zwarte mannelijkheid, dan treden meteen ideeën als geweld, onwettigheid en armoede op de voorgrond. Zwarte mannen zijn noch de begunstigden, noch de dragers van de staatsmacht, maar integendeel veeleer het voornaamste mikpunt ervan. Overal in Europa zijn ze – vooral via de figuur van de Afrikaanse vluchteling – de verpersoonlijking van de meest onuitroeibare en smerigste armoede, een armoede die binnensijpelt vanuit het armste, meest uitzichtloze continent: zwart Afrika. De Antiliaanse denker Frantz Fanon schreef in het begin van zijn invloedrijke essay Peau noire, masques blancs: “Al haal ik me de woede van mijn gekleurde broeders op de hals, toch zeg ik dat de zwarte man geen man is.” (6) Laten we die oproep tot broederschap serieus nemen en het woord ‘man’ voor een keer niet een abstracte, humanistisch invulling geven. Wat Fanon bedoelde is dat de zwarte man geen mannelijk gender heeft. Hij is iets anders; iets wat niet als een overkoepelende term voor de hele mensheid dienst kan doen, zoals het woord ‘homme’ [in het Frans] al eeuwen tegelijk ‘man’ en ‘mens’ kan betekenen. De hedendaagse feministische queer filosofie heeft vastgesteld dat gender niet louter voortvloeit uit het biologische geslacht, noch een culturele echo van de anatomie is. Integendeel, voor Judith Butler verwijst het begrip gender naar “elk discours of culturele uiting waardoor de begrippen ‘seksuele aard’ of ‘natuurlijk geslacht’ worden gecreëerd en verankerd”. (8) Gender is een opeenvolging van historische normen waarin de seksuele verschillen zich kristalliseren en die het imago ervan in de openbare ruimte bepalen. Met inachtneming van het uitzonderlijke karakter van de moderne – uit slavernij voortgekomen – samenlevingen, en op basis van dit idee dat gender een historisch construct is, bestrijden de Noord-Amerikaanse zwarte feministische denkers tegenwoordig de feministische aanname dat er zoiets bestaat als een politiek universeel vrouwelijk gender: “Wat ‘vrouw’ in een context van gevangenschap aanduidt, mag niet worden uitgelegd in termen van behoefte aan huiselijkheid of bescherming, maar in de termen van de geloochende brutaliteit van de slavenwetten, van de onschendbaarheid van eigendom en de noodzaak van absolute onderwerping, of nog van het pathologiseren van het zwarte lichaam, van de inperking van het zwarte bewustzijn, van het uiteenlopende gebruik van eigendom en van de precaire status van de zwarte in de publieke sfeer.” (9)

Vanuit een strikte benadering zou men diezelfde analyse ook op het gender ‘man’ moeten toepassen en elke eenduidige interpretatie van ‘mannelijkheid’ moeten verwerpen. De huidige feministische theorie beperkt de vraag over het onderlinge verband of de intersectie tussen ras en geslacht doorgaans tot het geval van niet-blanke vrouwen; ze gaat vaak voorbij aan het raciale aspect en homogeniseert het ‘mannelijke’ maar al te gemakkelijk. De socioloog Jules Falquet kenschetst aldus die consensus: “Het volop florerende onderzoek naar de mannelijkheid loopt voortdurend het risico – al dan niet opzettelijk – af te glijden naar masculinistische interpretaties die de man individualiseren en aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken, of hem zelfs de slachtofferrol toespelen, waarbij over-haaste parallellen worden gelegd tussen mannen, vrouwen, homo’s, en trans (en waarbij lesbiennes volledig uit beeld blijven). Niettemin verhouden deze groepen zich in de echte samenleving tot elkaar volgens een heel duidelijke hiërarchie en worden ze gedefinieerd in termen van onderlinge onderdrukkingsrelaties”. (10)

Zolang men in een allesomvattende interpretatie van mannelijkheid de enige bescherming ziet tegen het masculinisme (waarachter bovendien vaak een blanke suprematistische ideologie schuilgaat), kan er eenvoudigweg niet nagedacht worden over de specifieke positie van zwarte mannen ten aanzien van het staatsgeweld dat hen systematisch ontmenselijkt. Het is in dat opzicht veelzeggend dat Falquets kritische sociologie – in een knieval voor het discours van de politiediensten en het openbaar ministerie – het traditionele determinisme van zijn vakgebied onder het tapijt schuift en de verantwoordelijkheid (in de morele, strafrechtelijke zin?) in ere herstelt, niet louter als een legitieme, maar als een noodzakelijke categorie.

Tot slot verrast in die waarschuwing nog het meest zijn kritiek op de overhaaste parallellen. Dat gaat maar al te snel voorbij aan het feit dat het Europese feminisme, vanaf de 18de eeuw, zijn politieke gedachtegoed heeft gestoeld op een parallel tussen de blanke vrouwen en de aangevoerde negerslaven (waarvan zo’n twee derde mannen waren), die ze rechtmatig als roerend goed konden bezitten. Zoals Françoise Vergès schrijft, is “die analogie aanmatigend” (11) omdat ze het geweld en de ontmenselijking die inherent zijn aan de slavernij lijkt te miskennen. En … dergelijke foute analogieën, die het zwarte lichaam tot broedplaats voor bruikbare metaforen maken, zijn in de Franse feministische theorie nu eenmaal schering en inslag. Wie zwarte mannen (en in het algemeen niet-blanke mannen en jongens) als denkende wezens beschouwt – en niet louter als stof tot exempels of als woestelingen die men een lesje moet leren –, begeeft zich tegenwoordig op glad ijs.

Zwarten zijn geen mannen die iets minder bevoorrecht zijn dan hun blanke tegen-hangers; ze behoren tot een geheel andere gendercategorie, die bepaald wordt door een specifieke mate van blootstelling aan politiegeweld, opsluiting, vroegtijdige dood en aan allerlei heel specifieke lustobsessies en -associaties waar de staat van doordrenkt is. Omdat ze in de collectieve verbeelding geassocieerd worden met fysieke superioriteit, robuuste spieren, onuitputtelijke sekslust en morele losbandigheid, zijn zwarte mannen de rivalen geworden van de dominante blanke masculiniteit, die ervan droomt ze te onder-werpen en te overheersen. Daarom moeten ze worden vernederd, getergd, verkracht, vermoord – kortom: ontmand.

Het gender van zwarte jongens en mannen dat door toedoen van het staatsracisme vorm krijgt is dat van ‘ontmannelijkheid’.

Norman Ajari

(1) Fassin Didier, L’Ombre du monde. Une anthropologie de la condition carcérale, Parijs, Le Seuil, 2017, p. 130. Zie ook: Traoré Assa en De Lagasnerie Geoffroy, Le Combat Adama, Parijs, Stock, 2019.
(2) In de Verenigde Staten bestaat de gevangenisbevolking voor 93,2% uit mannen. Daarvan is 34,8% hispanic, 34,5% zwart, 27,1% blank en 3,6% heeft een andere etnische achtergrond. Cijfers van het Federal Bureau of Prisons, 25 februari 2017.
(3) Rigouste Matthieu, La Domination policière. Une violence industrielle, Parijs, La Fabrique, 2012, pp. 22-23.
(4) Curry Tommy J., The Man-Not. Race, class, genre, and the dilemmas of Black manhood, Philadelpha, Temple University Press, 2017, p. 132.
(5) Halberstam Jack, Female masculinity, Durham, Duke University Press, 1998, p. 2.
(6) Fanon Frantz, Œuvres, Parijs, La Découverte, 2011, p. 63.
(7) Wynter Sylvia, “Beyond the word of Man: Glissant and the new discourse of the Antilles”, in World Literature Today, vol. 63, n° 4, pp. 637-648.
(8) Butler Judith, Gender Trouble, Franse editie Trouble dans le genre, vert. Cynthia Kraus, Paris, La Découverte, 2005 p. 69.
(9) Hartman Saidiya, Scenes of Subjection: Terror, slavery, and self-making in nineteenth-century America, Oxford – New York, Oxford University Press, 1997, p. 100.
(10) Falquet Jules, “Au-delà des larmes des hommes”, voorwoord bij: Selek Pinar, Devenir homme en rampant. Service militaire en Turquie: Construction de la classe de sexe dominante, Parijs, L’Harmattan, 2014, p. 21.
(11) Vergès Françoise, Un Féminisme décolonial, Parijs, La Fabrique, 2019, p. 46.

Back to top

Kader Attia (Frankrijk, 1970), groeide op in Parijs en Algerije. Voorafgaand aan zijn studies aan de École Supérieure des Arts Appliqués Duperré en de École Nationale Supérieure des Arts Décoratifs in Parijs, en aan Escola Massana, Centre d'Art i Disseny in Barcelona, verbleef hij enkele jaren in Congo en in Zuid-Amerika. De ervaring met deze verschillende culturen, waarvan de geschiedenis door de eeuwen heen gekenmerkt werd door rijke handelstradities, kolonialisme en multi-etnische samenlevingen, heeft Kader Attia's interculturele en interdisciplinaire benadering van zijn onderzoek bevorderd. Al vele jaren onderzoekt hij het perspectief dat samenlevingen hebben op hun geschiedenis, met name wat betreft ervaringen van ontbering en onderdrukking, geweld en verlies, en hoe dit van invloed is op de ontwikkeling van naties en individuen – verbonden met het collectieve geheugen. Zijn sociaal-cultureel onderzoek bracht Kader Attia bij de notie van Repair (Herstel), een concept dat hij filosofisch heeft ontwikkeld in zijn geschriften en symbolisch in zijn oeuvre als beeldend kunstenaar. Met het principe dat Repair een constante is in de natuur – en dus ook voor de mensheid – kan elk systeem, elke sociale instelling of culturele traditie worden beschouwd als een oneindig proces van herstel, dat nauw verbonden is met verlies, leed en herbestemming. Repair is ook verbonden met gender, filosofie, wetenschap en architectuur, en werkt ook in op evolutionaire processen in de natuur, cultuur, mythe en geschiedenis. In 2016 richtte Kader Attia La Colonie op, een ruimte in Parijs waar ideeën uitgewisseld worden en levendige discussies ontstaan. La Colonie richt zich niet alleen op de dekolonialisering van volkeren, maar ook van kennis, houdingen en praktijken, en streeft naar het ontsluiten van kennis door middel van een interculturele, transdisciplinaire en transgeneratieve benaderingen. Bij wijze van sociaal en cultureel herstel wil La Colonie de versnipperde of uit elkaar gedreven kennis herenigen. In 2016 werd Kader Attia bekroond met de Marcel Duchamp Prijs, gevolgd door de Prijs van de Miró Foundation, Barcelona, en de Yanghyun Kunstprijs, Seoul, in 2017.

Back to top