An Audio Family Album

Al twee decennia buigt Bouchra Khalili zich in haar werk over hedendaagse migratietrajecten, het koloniale continuüm en de politiek van herinnering aan de internationalistische strijd en de collectieve emancipatie. De kunstenares onderzoekt zo nieuwe vormen van samenhorigheid, wars van de burgerschapsmodellen die opgelegd worden door het westerse concept van de natiestaat. Voor dit project in het kader van The Diasporic Schools vertrekt Khalili van de erfenis van Al Assifa. Dit theatergezelschap, dat actief was tussen 1972 en 1978, bestond uit een groep Noord-Afrikaanse arbeiders die allemaal onder de kolonisatie werden geboren en hun Franse student-bondgenoten. Hun voorstellingen werden voornamelijk opgevoerd in stakende fabrieken en publieke ruimtes. Al Assifa bracht ook een krant uit, Al Assifa: The Voice of Arab Workers, waarin bericht werd over de antikoloniale en immigratiestrijd. In de jaren zeventig lazen de leden van het collectief de krant voor in Arabische cafés in Parijs om ook de ongeletterde burgers te informeren. Eveneens werden audiocassettes gebruikt om de inhoud te verspreiden onder de Maghrebijnse gemeenschappen in verschillende Franse steden. De orale vertelkunst werd daarmee opnieuw bevestigd als een krachtige verzetsvorm tegen het officiële discours en de dominante kennis. Al Assifa speelde de hoofdrol in Khalili’s The Tempest Society, een video-installatie (gepresenteerd op documenta 14, 2017) en een kunstenaarspublicatie (gepubliceerd door Bookworks, Londen, 2019). Met An Audio Family Album zet Khalili haar onderzoek verder naar Al Assifa's methodologie, gebaseerd op de uitstervende traditie van Al-Halqa, de oudste podiumvorm van Noord-Afrika. In samenwerking met de jongere generatie van deze gemeenschappen die tegenwoordig in Europa wonen, stelt de kunstenares een online-archief van stemmen voor, een bundeling van verhalen over emancipatie die hebben geholpen om de herinneringen en de hedendaagse strategieën van de diasporastrijd vorm te geven en die van de ene generatie op de andere worden doorgegeven. Over geografische grenzen en generaties heen vormen deze verhalen een collectief familiealbum, waarbij de stemmen, net als in de Halqa-traditie, de levende en nomadische herinnering belichamen aan de strijd van volkeren voor bevrijding.

De bijdragen werden in verschillende talen geschreven: Frans, Nederlands (Vlaams), Engels, Tamazight. Ze zijn niet allemaal onderworpen aan vertalingen. Ze weerspiegelen de linguïstische diversiteit van culturen in diaspora en hun erfenissen. De taal van de titel geeft de voertaal van de performance aan. Sommige performances omvatten tweetalig materiaal.

Abdellali Hajjat

Abbas et le sociologue Abdellali Hajjat is socioloog en politiek wetenschapper die in Brussel gevestigd is en zoon van een Marokkaanse gastarbeider die in Frankrijk leeft. In deze analyse van een interview tussen Abdelmalek Sayad – de oprichter van de Franse sociologie van migratie – en Abbas, een Algerijns immigrant, reflecteert Abdellali over ballingschap en de conflictueuze gevoelens die ontstonden in de levens van onderweg-zijn van de eerste generatie immigranten. Door het lezen van dit interview nodigt Abdellali ons tot slot uit om na te denken over de ongekende en verzwegen verhalen van zijn vaders generatie.

Maja Ajmia Yde Zellama

Histoire de Hamoudi Maja is een filmmaakster en activiste geboren in Brussel. Ze is de dochter van een Tunesische vader en een Deense moeder en groeide op omgeven door Arabische en moslimmannen: haar broers, neven, nonkels. Ze deelt haar blik op verschillende vormen van mannelijkheid in de diaspora, door de samenleving vormgegeven en opgelegd aan de mannen van haar familie. Maja’s verhaal is hier verweven met de beschrijvingen die Faiza Guene maakt van Hamoudi, een personage uit haar boek Kiffe Kiffe Demain.

Joachim Ben Yakoub

Ceux de l’Exil Joachim is schijver en onderzoeker gevestigd in Brussel. Hij is de zoon van een Tunesische vader en een Belgische Moeder en deelt zijn onderzoek over de eerste generatie van Noord-Afrikaans activisme in België. In zijn bijdrage duikt hij in het werk en de erfenis van Ahl El Hijra – een muziekgroep die actief was in het midden van de jaren ’70 tot de vroege jaren ’80, bestaande uit Noord-Afrikaanse immigranten in Brussel. Ahl El Hijra’s repertoire verwijst naar Noord-Afrikaanse gemeenschappen en gebruikt muziek om getuigenissen over te brengen van de levensomstandigheden van migrantengemeenschappen in België. Ahl El Hijra weerspiegelt het werk van Al Assifa, dat Bouchra Khalili inspireerde voor The Tempest Society (digitale film, 2017, publicatie 2019) en deze bijdrage aan The Diasporic Schools. Zoals Ahl El Hijra in Brussel, kwam in Parijs Al Assifa (1972-1978) samen, een groep Noord-Afrikaanse arbeiders die theater, muziek, straatperformances en audio-opnames gebruikten om de migrantengemeenschappen in Frankrijk te organiseren en om de aandacht te vestigen op de levensomstandigheden van migranten.

Mohamed Mimoun

Kecskemét-Oran Mohamed is een in Brussel geboren en gevestigd activist. Hij groeide op in een Algerijns arbeidersgezin en zijn activisme bestaat voornamelijk uit antikoloniale strategieën en sensibiliseringscampagnes over politiegeweld. Mohamed vertelt de verhalen van twee soldaten – Joseph Otto Klems en Joseph Dobos, die van het Franse Vreemdelingenlegioen deserteerden en zich aansloten bij de antikoloniale vrijheidsbewegingen in Noord-Afrika.

Ikram Ettarrahi

Notes on Oral Feminist Storytelling Ikram is een beeldend kunstenares die de erfenis van de orale tradities uit de Rif-regio in Noord-Marokko onderzoekt. Ze buigt zich over de vele anonieme vrouwen die “mondeling” schreven en zo de antikoloniale strijd bestendigden. Ze neemt hiervoor het werk van Fatima Sadiqi, een Marokkaanse feministische academica als startpunt. Eén van de meest bekende en epische gedichten over antikoloniale geschiedenis en meer bepaald over de Rif Oorlog is Dhar Ubharran. De performance waarmee Ikram afsluit bevat fragmenten van het gedicht in de originele taal Tarifit.

Radouan Mriziga

Notes for an Introduction to an Amazigh Epistemology Radouan is een in Marokko geboren en in Brussel gevestigde choreograaf. Tafukt (2020) is een danssolo en het eerste deel van een trilogie die de epistemologieën en mythologieën van de Tamazigh – een autochtone bevolking in Noord-Afrika - behandelt. Voor zijn bijdrage aan An Audio Family Album, bevraagt Radouan nieuwe vormen van Amazighepistemologie en de mogelijkheden die het gemeenschappen in diaspora kan bieden.

Fatima-Zohra Ait El Maâti

Allo, mon père De eerste immigratiegeneratie bestond dikwijls uit individuele mannen, van wie de vrouw en kinderen in het thuisland bleven. Het kon jaren duren vooral de families herenigd werden. Fatima-Zohra is een filmmaakster geboren en opgegroeid in Brussel in een Marokkaanse familie. Ze herinnert zich regelmatig een verhaal dat haar moeder haar vertelde: Fatima-Zohra's moeder herkende haar eigen vader niet na zijn eerste terugkeer uit België naar zijn thuisland. Deze herinnering vormt het startpunt van Fatima-Zohra’s verhaal over migratie, afscheiding en eenzaamheid.

Bouchra Khalili zal op 31.10 in gesprek gaan rond An Audio Family Album in het kader van het Publiek programma.

Bezoek de website van An Audio Family Album: audiofamilyalbum.com

Presentatie: Kunstenfestivaldesarts-Bouchra Khalili

Een werk door: Bouchra Khalili

Een opdracht en een coproductie van het Kunstenfestivaldesarts in het kader van The Diasporic Schools

Back to top

An Audio Family Album Over de figuratie van de volksdichter als hlayqi·a

Door Joachim Ben Yakoub  

Bouchra Khalili’s voorstel voor The Diasporic Schools tijdens Kunstenfestivaldesarts 2020 begint met een reeks individuele ontmoetingen met een nieuwe generatie Maghrebijnse kunstenaars·essen en activisten in Brussel, later nog aan te vullen met afspraken in andere Europese hoofdsteden. Vanuit de relaties die deze ontmoetingsmomenten vormgeven, maakt Khalili een levende, online familiealbum van stemmen waarmee ze verhalen van verzet restaureert en herinneringen van rebellie in ere herstelt. In haar zoektocht naar betekenis van deze stemmen die doorheen de volharding van de geschiedenis geproduceerd zijn en vandaag onverhoeds weerklinken en echoën, om haar te parafraseren, besliste ze haar ogen te sluiten en te luisteren naar het geroezemoes dat in de diasporische al-halqa van Brussel circuleert. Om deze familieverhalen over te dragen naar haar publiek, steunt Khalili op collaboratieve dispositieven die al aanwezig waren in haar werk, waarbij ze de figuratie van de volksdichter als hlayqi.a opnieuw in overweging neemt.

De titel van haar video-installatie uit 2017, The Tempest Society, refereert niet naar het laatste baanbrekende toneelstuk van Shakespeare, noch naar de kritische bewerking ervan van Aimé Césaire, maar naar het nalatenschap van Al-Assifa, een zelfgeorganiseerd autonoom theatergezelschap dat in 1973 opgericht werd door arbeiders uit de Maghreb, partizanen van de Arabische Arbeidersbeweging in Parijs. Zowel de krant van de beweging als het theatergezelschap werden vernoemd naar de gewapende revolutionaire vleugel van Fatah, de Palestijnse Nationale Bevrijdingsbeweging van Yasser Arafat en verwijzen naar de loyaliteit die de autonoom georganiseerde arbeiders betuigden aan hun origine in de Franse Palestijnse Comités sinds 1967. De groep hield zich bezig met nieuwe vormen van geïmproviseerde actie theater en agit-prop, die men speelde tijdens fabrieksstakingen, op bijeenkomsten van de gemeenschap en op bezette openbare pleinen. Ze waren tegelijkertijd actief in een resem betogingen tegen ongebreideld racisme en politiegeweld, en streden voor menswaardige arbeidsvoorwaarden, telkens opnieuw in de geest van internationale solidariteit. In het narratieve architectuur van The Tempest Society worden deze verhalen van antikoloniale strijd en internationalisme verweven met vertellingen over burscherschapswording.

Voor An Audio Family Album herstelt Khalili een nauwkeurige link, niet zozeer met de erfenis van Al-Assifa in de brede zin, maar met de verschillende manieren waarop Al-Assifa de voorwaarden creëerden om verhalen en informatie te laten circuleren binnen de diaspora. Als antwoord op de lage geletterdheid van Arabische arbeiders op dat moment in Parijs, kozen een aantal leden van Al-Assifa ervoor om de belangrijkste nieuwsfragmenten luidop voor te lezen in de cafés waar de arbeiders samenkwamen. De groep richtte ook Radio Assifa op, en verdeelde cassette-opnames van hun kronieken om de gemeenschap op de hoogte te houden over de stand van zaken van verschillende sociale en politieke conflicten en mobiliseringen. Al-Assifa blies vooral de bedreigde vorm van al-halqa opnieuw leven in, ooit een wijdverspreide en subversieve performance praktijk in de Maghreb, om na te denken over de ambiguïteit van machtsrelaties die dagelijkse gebeurtenissen vormgeven, in het bijzonder de racistische moord op de jonge Djellali Ben Ali, of de moord op Mohamed Diab door de politie. In al-halqa, om één van de stichtende leden van Al-Assifa, Philippe Tancelin, te citeren, heeft de verteller niet de autoriteit van de auteur, als de overleveraar van een collectief en historisch discours, maar is h/zij onderworpen aan echte, directe en gelijkwaardige interventies en kan dus ook door het publiek worden tegengesproken op eender welk moment in de performance.  

De heropleving van al-halqa als circulaire performatieve vorm in de diasporische context van de Arabische arbeidersbewegingen in Parijs in de jaren ’70 is nauw verbonden met de verschillende vormen waarop de anti-koloniale strijd het Maghrebijnse theaterlandschap binnensijpelde. Er broeiden discussies over verschillende strategieën om het dramatische repertoire en de canon te dekoloniseren. De terugkeer van zowel het karakter van de verteller (hlayqi/hlayqia) en de circulaire structuur van de performance creëerde ruimte voor hybride theatervormen die doorspekt werden met fantastische, mythische en historische verhalen met personages en figuren die verankerd zijn in de translokale geschiedenis van de Maghreb. Daarbij ontleende men theatrale modaliteiten aan de Amazigh en Islamitische tradities maar eveneens aan Brechtiaanse esthetica en documentaire theater. Deze hybridisering oefende een sterke invloed uit op het werk van een nieuwe lichting theatermakers waaronder Kateb Yacine, Abdelkader Alloula of Tayeb Saddiki, die elk op hun eigen manier verschillende performatieve methodes koppelden aan populaire vormen en experimentele, politiek geëngageerde poëzie met een zekere zin voor het ceremoniële behandelden. De circulatie van vitale energie in al-halqa maakte van theater opnieuw een gevoelige ervaring, waarbij het leven en haar tegenovergestelde in hun meest fragiele vorm gehecht worden in het vluchtige proces van wereldmaken. Theater won zijn functie terug als een afstandelijke, maar tegelijk interactieve  en immer kritische spiegel, die het gezegde of gehoorde en hetgene wat stilgehouden moet worden, bevraagt en ondermijnt, die opnieuw overweegt wat zichtbaar en wat niet zichtbaar is en de mondelinge overlevering opnieuw inzet als een krachtige vorm van verzet tegen het hegemonische discours en de wijzen waarop we de wereld aanvoelen en kennen.  

Om de unheimliche complexiteiten van diasporische familieverhalen opnieuw onder woorden te brengen, verhoudt Bouchra Khalili zich in An Audio Family Album tot de met verdwijnen bedreigde, circulaire vorm van al-halqa, die centraal staat in de praktijk van Al Assifa. Door dit te doen raakt ze aan de hedendaagse nood om verzets- en bevrijdingsverhalen opnieuw te vertellen maar ook om nieuwe orale vormen te genereren en doorheen deze vormen nieuwe vertellingen en mythes uit te denken. Samen kunnen ze wat Stuart Hall het levende archief noemde voortbrengen of in dit geval een levend familiealbum. Familieverhalen die in hun opgevoerde oraliteit in al-halqa verteld worden, verkeren in een permanente toestand van suspensie. De geanimeerde verschijningsvorm van al-halqa is zoals de diaspora zelf nomadisch, onstabiel en vliedt voortdurend verschillende kanten uit, zodat de vertelde familieverhalen en de besproken relaties nooit ten volle kristalliseren en de scriptocentrische grenzen van de geschreven wereld overstegen worden. Khalili houdt zo onvoorwaardelijk ruimte voor de mogelijke heropleving van verzwegen en uitgewiste herinneringen om de verdeelde wereld waarin we vandaag leven opnieuw te wereld-en.  

In de The Tempest Society nodigt Khalili drie verschillende Atheense studenten uit om de aanwezigheid  van de Al Assifa groep op te roepen doorheen vertellingen over hun eigen diasporische ervaringen van racisme en xenofobie, afgewisseld met lezingen van fragmenten uit Al Assifa’s manifest Les Tiers-Idées (1997), en geselecteerde passages uit de roman My Name is Europe van Gazmend Kapllani. In haar voorstel voor The Diasporic Schools daarentegen, nodigt Khalili een nieuwe generatie Maghrebijnse artiesten en activisten uit om opgedolven familie- en bevrijdingsverhalen voor te lezen die hun verleden beïnvloed hebben maar het vermogen om huidige vormen van diasporisch verzet te inspireren behielden, zodat ze deel kunnen uitmaken van een nieuw samengesteld familiealbum. Geïnspireerd door het nalatenschap van Pier Paolo Passolini, roept Khalili deze artiesten en activisten op om de figuratie van de volksdichter als hlayqi·a te belichamen, oscillerend doorheen een vrije indirecte rede en in een intertekstueel spel tussen historische citaten en persoonlijke verhalen. Deze rechtstreeks betrokken individuen zullen in hun spreken een vertrouwde collectieve stem doen weerklinken. Het gaat hier niet over het stem geven aan maar wel over het spreken nabij hen die afwezig zijn of het stilzwijgen werden opgelegd, om uiteindelijk als getuige op te treden van de verschillende manieren waarop men zich voortdurend verzet heeft tegen historische onrechtvaardigheden. Indien we voorbijgaan aan de representationele beperking van tijd en ruimte in het fabuleren van een familiealbum, dan kunnen we ons een toekomstig volk dat een toekomstige wereld voorspelt inbeelden, waar het diasporische apriori in elke school ingeschreven zou zijn en die de ancestrale afkomst van verzet die een vrij en waardig leven mogelijk maakten zou herdenken.  

Tekst geschreven door Joachim Ben Yakoub in oktober 2020, in het kader van The Diasporic Schools van de Kunstenfestivaldesarts

Back to top

Bouchra Khalili werd in 1975 in Casablanca geboren en woont en werkt in Berlijn. Ze studeerde filmgeschiedenis aan de Sorbonne Nouvelle en beeldende kunst aan de École Nationale Supérieure d'Arts de Paris. In haar praktijk, die zowel films, video’s, installaties, fotografie, prints en publicaties omvat, onderzoekt Khalili de politiek van de herinnering aan de antikoloniale strijd en internationale solidariteit en hoe het kolonialisme en imperialisme vandaag nog steeds doorwerkt in de gedwongen illegale migratie. Op het snijpunt tussen geschiedenis en microverhalen combineert Khalili documentaire strategieën en een meer conceptuele benadering om in te zoomen op vragen rond zelfrepresentatie, agency en de verzetsvormen van onderdrukte gemeenschappen. Diep beïnvloed door de erfenis van de avant-gardes na de onafhankelijkheid van haar geboorteland Marokko, combineert Khalili performatieve strategieën rond storytelling met de oude, Noord-Afrikaanse verteltraditie om burgerplatforms te creëren waarbij individuen in de eerste persoon hun ervaringen kunnen delen. Samen vormen die een gemeenschappelijk corpus van verhalen over verzet en emancipatie. Khalili heeft verschillende solotentoonstellingen op haar naam staan, zoals in het Museum of Fine Arts (Boston), Museum Folkwang (Essen), Jeu de Paume (Parijs), MAXXI Museum (Rome) en het Museum of Modern Art (New York). Ze nam ook deel aan verschillende internationale expo’s, waaronder de 12e Bamako Biënnale, BienalSur (Buenos Aires), documenta 14 (Kassel) en de 55e Biënnale van Venetië. Als cultureel activist is ze medeoprichter van de Cinémathèque van Tanger, het eerste culturele centrum in Noord-Marokko dat gewijd is aan het behoud en de promotie van filmcultuur in de regio.

Back to top