Time has fallen asleep in the afternoon sunshine

Een bibliotheek van levende boeken, een leeszaal, een atelier, een uitgeverij, een boekhandel

Galerie Ravenstein / Ravensteingalerij
  • 06/05 | 10:00 - 18:00
  • 07/05 | 10:00 - 18:00
  • 09/05 | 10:00 - 18:00
  • 10/05 | 10:00 - 18:00
  • 11/05 | 10:00 - 21:00
  • 12/05 | 10:00 - 18:00
  • 13/05 | 10:00 - 18:00
  • 14/05 | 10:00 - 18:00
  • 16/05 | 10:00 - 18:00
  • 17/05 | 10:00 - 18:00
  • 18/05 | 10:00 - 21:00
  • 19/05 | 10:00 - 18:00
  • 20/05 | 10:00 - 18:00
  • 21/05 | 10:00 - 18:00
  • 23/05 | 10:00 - 18:00
  • 24/05 | 10:00 - 18:00
  • 25/05 | 10:00 - 21:00
  • 26/05 | 10:00 - 18:00
  • 27/05 | 10:00 - 18:00

De ‘levende boeken’ van Mette Edvardsen doken in Brussel voor het eerst op tijdens het Kunstenfestivaldesarts van 2013. De naam van deze onderneming is Time has fallen asleep in the afternoon sunshine. Ze is sindsdien uitgegroeid tot een duurzaam project rond de belichaming van boeken. Na jaren van uit het hoofd leren en voordragen zetten de performers nu een stap vooruit en vertrouwen de boeken vanuit hun hoofd weer aan het papier toe. Zo ontstaan er nieuwe uitgaves, nieuwe versies van bestaande werken, vernieuwde schrijfsels die doorheen een menselijk heen-en-weer van leren en vergeten gegaan zijn, met alle transfiguraties vandien. In de Ravensteingalerij opent het festival een leeskamer: een plaats waar het steeds muterende proces gedocumenteerd en ontsloten wordt. Je ziet er de sporen van het lange werkproces, je kan er nieuwe ‘levende boeken’ ontdekken en ook zelf aan de slag gaan. De praktijk wordt tastbaar gemaakt, alles wordt gedeeld. De tijd blijft stilstaan.

Activiteitenprogramma

  • Tentoonstelling
    6 > 27/05
    Dinsdag tot zondag 10:00 > 18:00
    Nocturne elke donderdag 10:00 > 21:00
  • Performance: Levende boeken
    6, 13, 20, 27/05 – 10:00 > 18:00
    Of op afspraak
    FR / NL / EN
    Gratis toegang
    Reserveer je levend boek ter plaatse of in ons bespreekbureau
  • Talks: Reflecties rond de praktijk
    11/05 – 19:00 > 21:00 (Bruno De Wachter)
    18/05 – 19:00 > 21:00 (Jeroen Peeters)
    21/05 – 10:00 > 18:00
    25/05 – 19:00 > 21:00 (Victoria Pérez Royo)
    Gratis toegang
    EN
  • Workshops
    16 > 19 – 10:30 > 12:00
    23 > 26 – 10:30 > 12:00
    Info & inschrijvingen in het bespreekbureau
    Meer info

Concept
Mette Edvardsen

Met
Alexandra Napier, Bruno De Wachter, Caroline Daish, David Helbich, Elly Clarke, Irena Radmanovic, Johan Sonnenschein, Katja Dreyer, Kristien Van den Brande, Lilia Mestre, Mari Matre Larsen, Marit Ødegaard, Mette Edvardsen, Moqapi Selassie, Philip Holyman, Rhiannon Newton, Sarah Ludi, Sébastien Hendrickx, Sonia Si Ahmed, Tiziana Penna, Vincent Dunoyer, Wouter Krokaert & speciale gasten Victoria Perez Royo, Jeroen Peeters, e.a.

Productieassistent
Maya Wilsens

Grafisch ontwerp
Michaël Bussaer

Scenografie
Helga Duchamps

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, BOZAR

Productie
Mette Edvardsen / Athome & Manyone vzw (Brussel)

Met de steun
Norsk Kulturråd, Norwegian Artistic Research Program

Met dank aan
Koninklijke Bibliotheek van België

Back to top

En alleen in wat verloren gaat, blijven we voortbestaan

Wanneer ik een boek ontleen uit de bibliotheek, kan ik het nooit laten om naar de uitleenfiche te kijken, om de datum te zien waarop iemand het voor het laatst doorbladerde. Ik vind het boeiend om over die tussentijd na te denken. Het leven van een boek bestaat uit latente en intense perioden, intervallen van rust, waarin de tijd blijft stilstaan, en van versnelling. In die rustige intervallen, wanneer het boek geduldig op de boekenplank staat te wachten tot iemand het opnieuw opent, slaapt de tijd in de namiddagzon. Dan stopt de tijd in het lange leven van het boek.

Het bestaan van een boek als stoffelijk voorwerp speelt zich af tussen de uren dat het wordt gelezen en de wachttijd op een boekenplank, tussen de momenten dat het licht op zijn pagina’s valt en die waarop de laatste zonnestralen zijn rug strelen. Het is een bestaan met horten en stoten, met tussenpozen en onderbrekingen. Maar dat is niet de enige mogelijkheid. Wanneer het boek wordt gelezen en in contact komt met een paar handen en een lichaam, ontwaakt het uit zijn latente toestand en worden de verhalen, de taal, de ideeën en de afbeeldingen deel van een levend lichaam. Ze vermengen zich met de herinneringen van het lichaam, roepen beelden en gevoelens op, ontlokken illusies of ontgoochelingen, worden herinnerd of vergeten. Op het ogenblik van het contact komt een levenloos medium van inkt en papier tot leven doorheen een lichaam van vlees en bloed. Dit is het onstoffelijke leven van de boeken, dat niet na te trekken of te dateren is, een bestaan dat geen sporen laat, waarover niet wordt geschreven; een onzichtbaar leven (gemaakt van herinneringen, transformatie en vergetelheid), waarvoor de literatuurgeschiedenis nooit aandacht had. Studies zijn altijd gericht op het bevestigde bestaan, op het geschrevene, zonder verder te gaan. We vergeten het virtuele, spookachtige bestaan, dat ons ontglipt, en houden geen rekening met de vage, heimelijke belichamingsprocessen van de tekst, geslepen door hun onzichtbaarheid, moeilijk identificeerbaar doordat ze plaatsvinden in een levend lichaam in constante transformatie.

Drie figuren lenen zich goed tot dit opmerkelijke samenspel tussen lichaam, leven en boek zoals in Time has fallen asleep in the afternoon sunshine. De eerste twee behoren tot de traditie en zijn in onze tijd bijna niet te geloven. De eerste figuur is de hafiz: iemand die de Koran uit het hoofd heeft geleerd en deze vanaf eender welk punt kan reciteren. De tweede is de middeleeuwse kopiist: langs zijn handen reisden en overleefden de boeken in de loop van de geschiedenis vóór de uitvinding van de boekdrukkunst. De derde is ronduit fictief: de atypische auteur Pierre Menard, die het voornemen had Don Quichot woord voor woord neer te schrijven (maar niet te kopiëren of te reproduceren).

De hafiz en zijn geheugen

Time has fallen… ontstond vanuit een van deze onvoorspelbare en onverwachte transsubstantiaties en levens van de boeken, in het bijzonder Fahrenheit 451 (1953) van Ray Bradbury. Het beeld van een gemeenschap van dissidenten die boeken uit het hoofd leren, liet Mette Edvardsen niet los en maakte een diepe indruk op haar lichaam en verbeelding. Daarom besloot ze het ook zelf te doen, samen met enkele medewerkers die elk de taak op zich namen een boek uit het hoofd te leren.

Een boek uit het hoofd leren is misschien wel de beste manier om het te lezen en ook die met de grootste impact. Het is niet de methode van de professionele lezer (de criticus) maar die van een ontroerde, geboeide lezer, die bereid is de tekst uit het hoofd leren, opdat het boek zich volledig in zijn levende organisme integreert. Er wordt verteld dat Jean Racine de roman Aethiopica of Theagenes en Chariclea uit het hoofd leerde om maximaal van de epische taferelen en de liefdesscènes te kunnen genieten, zonder bang te moeten zijn dat de jansenistische geestelijken van het internaat waar hij leefde hem zouden betrappen en zijn boek in het vuur zouden gooien – wat al meermaals gebeurd was. Nu leert een mens niet zomaar eender welk boek uit het hoofd, maar een dat hem bijzonder heeft geraakt. De meeste medewerkers van Time has fallen… kozen een boek dat zich al in hun lichaam had genesteld, daar een goede plaats had gevonden en al voor een deel was geassimileerd, voor ze met het memoriseren begonnen. De manieren waarop het boek zich in een lichaam nestelt, zijn trouwens fundamenteel tijdens het lezen (en het uit het hoofd leren), zoals wordt gesuggereerd in Ik ben Elias of het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams, van Wouter Krokaert (2016).

Het boek dat het meest uit het hoofd werd geleerd, is waarschijnlijk de Koran: sinds Mohammed hebben miljoenen mensen het geheel of gedeeltelijk ingestudeerd. Wie de 114 soera’s (of hoofdstukken) en meer dan 6000 verzen kent en kan opzeggen, krijgt de titel van hafiz, een belangrijke erkenning in de islamitische cultuur die de persoon in kwestie met trots voor zijn naam mag schrijven. Markant detail: een van de letterlijke vertalingen van het woord ‘hafiz’ is ‘bewaker’. De hafiz moet niet alleen de Koran uit het hoofd hebben geleerd, maar er ook voor zorgen dat hij hem niet vergeet. Hij zal dan ook de rest van zijn leven blijven oefenen om over de exacte, trouwe weergave van elk woord te waken. Dit proces is niet alleen van toepassing op de tekst, maar ook op het lichaam dat de tekst uit het hoofd leert. Het werk is onderhevig aan een strenge discipline om mogelijke alteraties en wijzigingen als gevolg van het belichamingsproces te voorkomen. Het letterlijk van buiten leren betekent een zware inspanning voor het lichaam. Maar het onbedwingbare karakter van dat lichaam verhindert zijn volledige onderdanigheid; ook al kan de tekst intact worden bewaard, dan nog ontstonden er een tiental verschillende stromingen van reciteren.

De medewerkers van Time has fallen… zijn een ietwat vreemde soort hafizen: ze hebben hun boeken zo goed mogelijk ingestudeerd en hebben hard gewerkt om ze in de loop der jaren in hun geheugen te bewaren. Maar de tekst weer op papier zetten, in deze tweede fase van het project, houdt een verplaatsing in, een minieme, maar betekenisvolle heroriëntering. Ze hebben de teksten trouw aan het origineel herschreven. Zoals steeds vermeden ze hierbij het plezier van de creativiteit en concentreerden ze zich op elk moment op het boek zelf, niet op de subjectieve beleving die het boek opwekt. Het gaat niet langer om het stoffelijke boek, maar om het boek dat in het lichaam van elke medewerker leefde, d.w.z. het boek dat al deze jaren van buiten werd geleerd en onthouden. Deze kleine verandering van perspectief (van het vaste, levenloze boek op papier naar het boek dat in het lichaam leeft) opent een hele, nieuwe wereld van vragen en bekommernissen, een nieuwe manier om de literatuur te benaderen – een manier die ook rekening houdt met de taal van de levenden, die ik met de woorden van Italo Calvino beschrijf: “… een taal zonder woorden, waarmee we geen boeken kunnen schrijven, maar alleen leven, seconde na seconde, zonder te registreren of te onthouden.” Tot nu was er voor deze taal geen aandacht, omdat ze zich in een constante evolutie bevindt en geen zichtbare sporen laat op het papier. Het is de taal waarmee de boeken zich vermengen wanneer ze ingroeien, wanneer ze door een lichaam worden opgenomen. Aandacht schenken aan deze taal betekent dat we ons focussen op een cruciaal en centraal aspect van elk leesproces, dat duidelijker zichtbaar is dankzij het proces van het memoriseren en van het leven van het boek in het lichaam. Time has fallen… draait precies rond dit proces, het werk en de zorg om het behoud, en de daaropvolgende overdracht van de tekst terug naar het papier, in een inspanning om de grenzen van de literatuur in contact met het lichaam te verleggen en het te bewonen, zich nestelend in wat buiten de literatuur valt, in wat geen geschreven vorm kan vinden, maar haar vanuit de wortel raakt. Het resultaat is een onmogelijke literatuur die alleen in de fictie wordt beoefend, in de Cimmerische literatuur zoals Calvino ze beschrijft in Als op een winter-nacht een reiziger, een literatuur gemaakt van onafgewerkte boeken, want die onvoltooidheid leidt het duidelijkst naar die andere dimensie van de lectuur, van de belichaming van de boeken, naar “de andere taal, […] de stille taal waarnaar alle woorden van de boeken die we denken te lezen, verwijzen.”

De herschreven boeken van Time has fallen…, producten van lezen en herschrijven waarbij de passage door het lichaam niet wordt ontkend of verhuld, verwijzen naar wat het boek zegt, maar ook naar wat het niet zegt. Ze verwijzen naar “een interne adem, die altijd op het punt staat zich te verspreiden in contact met de lucht”, naar alles wat komt kijken bij de lezing van een boek dat, in zijn ogenschijnlijk gesloten en vaste stoffelijkheid, aanleiding geeft tot een veel vluchtiger ervaring. Het is trouwens precies die ervaring die het lezen motiveert, leidt en vormt. In contact met het lichaam verandert de tekst, binnen zijn zichtbare stabiliteit, in een onzichtbare ruimte van meervoudige dimensies van herschrijven, metamorfoses die “de geschreven taal haar actieve energie teruggeven”, verkregen dankzij de taal van het lichaam, van het levende, in contact met de geschreven taal.

Maar om te weten hoe deze andere literatuur zichtbaar wordt, moeten we kijken naar de personen-boeken van Time has fallen… in de hoedanigheid van kopiisten.

De kopiist en zijn sporen

Als klassieke teksten uit de Grieks-Romeinse wereld (teksten die uiteindelijk vormgaven aan de Bijbel en een deel van de boeken van voor de uitvinding van de boekdrukkunst) nog in onze tijd bestaan, dan is dat te danken aan het werk van duizenden kopiisten en schriftgeleerden die de teksten steeds opnieuw op papyrus, perkament en papier overschreven. De boeken werden door duizenden handen geschreven. Soms maakten ze een eeuwenlange reis of liepen ze gevaar te worden vernietigd. Een tekst woord voor woord kopiëren was tot halverwege de 15de eeuw een courante activiteit maar is sindsdien grotendeels in onbruik geraakt.

De medewerkers van Time has fallen… zijn ook een vreemde soort kopiisten. Ze zijn geen klerken, want van heel deze bibliotheek werd alleen in het geval van Seltsame Sterne starren zur Erde, van Emine Sevgi Özdamar, van Sonia Si Ahmed, de generische informatie gedrukt en werden de meer dan 280 resterende pagina’s blanco gelaten om een per een met de hand te worden beschreven. Maar ze schreven wel een volledig boek opnieuw en deden dat zo getrouw mogelijk. Zowel in het geval van de kopiist als in dat van de kunstenaar in Time has fallen… wordt een boog opgetrokken tussen een boek en zijn volgende kopie, met een lichaam dat onvermijdelijk tussenkomt. Het verschil is dat de tijdspanne tussen het lezen en het kopiëren in het geval van Time has fallen… veel groter is dan bij de kopiist (maar toch overbrugbaar blijft), omdat de boeken eerst uit het hoofd werden geleerd.

In de korte tijd tussen lezen en schrijven van het boek door de kopiist, wordt de tekst gefilterd door zijn hoofd en zijn handen, op een totaal andere manier dan wanneer hij wordt gedrukt of op een andere manier gereproduceerd. In die tijdspanne ondergaat de tekst wijzigingen. Enerzijds zijn er de fouten: “Het is heel moeilijk een tekst te kopiëren zonder fouten te maken. Op veel pagina’s van middeleeuwse manuscripten zijn verbeteringen te merken: woorden die over andere, gewiste woorden werden geschreven, vergeten stukken die dan maar in de marge werden toegevoegd, herhalingen die werden doorgehaald…” Sommige fouten waren te wijten aan nonchalance, andere aan onbekendheid met de taal, het onvrijwillig overslaan van een paragraaf, evoluties in de schrijfwijze of de spelling, beschadiging van het papier of slijtage op de tekening van de letter. Maar er waren ook andere, meer bedrieglijke veranderingen, misschien aangebracht door een overijverige monnik die verbeterde wat hij zag als een fout van een voorgaande kopiist, of om de auteur zelf te verbeteren, zoals Stoppard suggereert in een geestige paragraaf over de onvermijdelijke misinterpretatie in elke kopie. Maar eerder dan ze louter als een plaag te beschouwen, zien we dat deze fouten een onverwacht potentieel in zich dragen. Luciano Canfora, een weinig orthodoxe taalkundige maar een groot kenner van de klassieke oudheid, herstelt de figuur van de kopiist in ere in een boek met de veelzeggende titel Il copista come autore (De kopiist als auteur): “Door het kopiëren, verandert de kopiist in een actieve hoofdrolspeler van de tekst. Aangezien hij de tekst beter dan wie ook heeft begrepen, wordt hij medeauteur van de tekst.”

De boeken van de tweede fase van Time has fallen… leven een tijdlang in lichamen die die boeken uit het hoofd hebben geleerd. De boeken hebben hun hafizen-kopiisten vergezeld doorheen geleefde ervaringen, werden voorgedragen, verteld, doorgegeven, gedeeltelijk vergeten, toegeëigend. Wanneer ze naar het papier terugkeren, zijn ze lichtjes gewijzigd – en dat is niet meer dan normaal. In de aanpassing aan een ander lichaam en andere ritmes kan het gebeuren dat bepaalde woorden, zinswendingen, uitdrukkingen of zelfs volledige paragrafen veranderd of zelfs helemaal verdwenen zijn. Het ritme van de zinnen en bijgevolg ook de leestekens kunnen variaties vertonen of in de tekst kunnen zich beelden hebben vastgezet die nu onlosmakelijk verbonden lijken. Ze bevatten met andere woorden allemaal veranderingen die het gevolg zijn van nalatigheden die onopgemerkt bleven, maar de transformaties zijn vooral te wijten aan een onvergelijkbaar, langer proces dan dat van de toeëigening van de tekst door de kopiist: het levensproces, de aanpassing van de tekst aan het lichaam waarin hij werd opgenomen, zijn ritme en pauzes, zijn ademhaling en de transformatieprocessen waaraan het geheugenwerk ze onderwerpt. De herinneringen blijven niet onveranderlijk in het geheugen, maar worden steeds opnieuw geschreven, telkens ze opborrelen of we ernaar teruggrijpen. Ze zijn onderhevig aan een constant proces van variaties en aanpassingen, waarin de herinnering wordt gekoppeld aan en aansluit op ervaringen, beelden en gewaarwordingen. Dit blijkt heel duidelijk uit de uitleg van Wouter Krokaert over zijn beslissing om illustraties te publiceren in zijn kopie van Ik ben Elias of het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams:

“Ik maakte ruimte voor mijn eigen beelden, niet om het verhaal te illustreren of te vervangen door beelden die niet met woorden weer te geven zijn, maar omdat mijn eigen beelden met die van Elias verweefd waren. Het boek bracht bij mij immers herinneringen aan persoonlijke ervaringen naar boven en zo verstrengelden de herinneringen aan mijn eigen kindertijd zich met die van Elias.” (Gilliams-Krokaert, 2016)

Zo verschijnen er wijzigingen in het gekopieerde boek. In het geval van Against the Forgetting. Selected Poems van Hans Faverey, van Bruno de Wachter (2016) paste deze laatste de verzen tijdens het instuderingsproces van de tekst aan zijn eigen ritme aan, maar toen hij ze weer op papier moest zetten, kon hij ze zich totaal niet meer herinneren. En dus liet hij de interpunctie helemaal weg en laste hij tussen de woorden een kleine of grotere spatie in, die een aanwijzing voor de lengte van de pauze kon vormen en zo de woordenstroom kon reproduceren.

Deze sporen – die niet worden aangemoedigd of gezocht, want bij de transcriptie van het geleerde boek was er geen ruimte voor creativiteit en respecteerden de medewerkers trouw de geleerde tekst – zijn van grote waarde in de boeken van Time has fallen… Ze vertellen immers meer over de levenstijd van het boek en de tijd van zijn transformatie in contact met een levend lichaam, dat heimelijk tussen de regels en ritmes of in bepaalde wendingen en uitdrukkingen kruipt. Het belang van deze sporen ligt niet in het mogelijke psychologische karakter van de spanningen, obsessies of angsten van een persoon in hun hoedanigheid van tekens die ons in staat stellen te graven in de psyche en de persoonlijke processen van vergeten, herinneren en opbouwen van de kunstenaars die aan het project Time has fallen… deelnemen. Het is niet de bedoeling een boek te gebruiken als middel om tussen te komen in hun psyche.

Wel helpen die tekens om ons bewust te worden van twee dimensies van de literatuur, waarvoor tot vandaag zo goed als geen aandacht was. Ten eerste is er het eigen leven van het boek wanneer het wordt gelezen en toegeëigend, zijn eigen verhaal in de perioden van belichaming tot het terugkeert naar zijn stilte en de nieuwe stabiliteit op een boekenplank. Het is het verhaal van de dimensie van de literatuur die ik bedoelde met de figuur van de hafiz, een vertelwijze die we doorgaans over het hoofd zien, omdat ze voor ons, met onze westerse denkschema’s, moeilijk te vatten is. Deze dimensie trekt dan weer wel de aandacht van een kunstenares zoals Mette Edvardsen, die een opleiding kreeg in de podiumkunsten en praktijken op basis van het lichaam en de ontmoeting. De andere dimensie is dat deze sporen ook een heel interessant inzicht bieden in het onvrijwillige auteurschap, deels vergelijkbaar met de transformatie van de teksten van de traditie van voor de uitvinding van de boekdrukkunst, via kopieën van kopieën, van de stabiele en levenloze vorm die een tekst op een gegeven moment lijkt aan te nemen tot de volgende kopie. De som van de tijdsspannes tussen de verschillende kopieën resulteert in een evolutie die men heeft geprobeerd te elimineren. Het oog valt op verfoeilijke fouten, onvolmaaktheden die de taalkundige eruit filtert in zijn zoektocht naar het oorspronkelijke boek. Dit proces van kopieën van kopieën levert zoveel onvermijdelijke en constante veranderingen op, dat Canfora besluit dat deze generaties van kopiisten de authentieke architecten zijn van de teksten van de traditie die tot bij ons komt. Hier ligt de essentie van de vergelijking tussen de kopiist en de auteur van de boeken van Time has fallen…, die ik in detail wil bestuderen, geboeid door het heel ongewone type van onvrijwillig auteurschap dat erachter schuilt. Dit is niet alleen een apocrief, maar ook altijd onvoltooid auteurschap, want in werkelijkheid blijft het verderwerken, ook na het incidentele vastleggen van die sporen. Als een van de deelnemers aan Time has fallen… zou beslissen zijn uit het hoofd geleerde boek opnieuw op papier te zetten, zou het resultaat er zonder enige twijfel weer anders uitzien dan de vorige versie.

Pierre Menard en het ondergrondse auteurschap

De veranderingen in de boeken van Time has fallen… die weer op papier werden gezet, zijn niet het resultaat van creativiteit, eigenwijsheid of streven naar hernieuwing vanuit de wens zichzelf te bevestigen via het auteurschap. Ze zijn het gevolg van een merkwaardige erkenning van de niet-opgewekte transformatieprocessen die zich in het leven van de teksten voordoen. En net als de kopiisten vanaf het einde van de vierde eeuw lasten alle auteurs van Time has fallen… in het boek dat ze op papier zetten een subscriptio in – men gaat ervan uit dat de auteur zich hiermee in een ondergeschikte positie plaatst. De middeleeuwse colofons konden eenvoudigweg de naam en handtekening van de auteur van de kopie bevatten, maar soms waren ze langer en beschreef de kopiist zijn vreugde omdat hij de taak had volbracht, klaagde hij over de lengte van het gekopieerde boek of verontschuldigde hij zich op voorhand voor eventuele fouten bij het kopiëren, vooral als hij de taal van het oorspronkelijke exemplaar niet kende (of dat nu Latijn of een andere taal was). In de herschreven boeken van Time has fallen… verontschuldigen de kunstenaars zich in hun subscriptio over het algemeen ook voor mogelijke vergetelheden, verwittigen ze voor eventuele variaties of lichten ze moeilijke beslissingen toe die ze hebben moeten nemen terwijl ze het boek opnieuw neerschreven. Al deze colofons wijzen op een heel interessant auteurschap dat in de tekst is geslopen. Hoewel de medewerkers de boeken op de best mogelijke en meest rigoureuze manier hebben gelezen, werkte het geheugen als een ondergronds auteurschap, dat heimelijk tussen de regels van de tekst drong. De tekst behoort niet meer alleen aan zijn oorspronkelijke auteur toe, maar ook aan een andere, die zich in de kopie heeft geïnfiltreerd. De versie van Een dag in ‘t jaar die we nu lezen, is niet van Herman Gorter, maar ‘van Herman Gorter, van Johan Sonnenschein’.

Pierre Menard, het fictieve personage uit het beroemde verhaal van Borges (1939), is een schrijver die zich voorneemt Don Quichot te schrijven. Hij wil het niet overschrijven, kopiëren, plagiaat plegen of een nieuwe versie schrijven. “Hij had de bewonderenswaardige ambitie pagina’s te schrijven die woord voor woord en regel per regel overeenkwamen met die van Cervantes.” (1939) Borges legt uit dat zijn methode er in het begin uit bestond Cervantes te zijn. Dit houdt meerdere uitdagingen in: “goed Spaans spreken, weer katholiek worden, ten strijde trekken tegen moren en Turken, de Europese geschiedenis tussen 1602 en 1918 vergeten, Miguel de Cervantes zijn”. Maar aangezien deze werkwijze al te gemakkelijk blijkt, beslist hij te blijven wie hij is, een schrijver van de 20ste eeuw, en Don Quichot te schrijven vanuit zijn eigen ervaring. Uiteindelijk slaagt hij er slechts in de hoofdstukken 9, 38 en een deel van hoofdstuk 22 te schrijven, want zijn taak is veel complexer dan die van Cervantes. Menard legt het als volgt uit: “Mijn zachtzinnige voorganger sloeg de medewerking van het toeval niet af: hij schreef zijn onsterfelijke werk een beetje à la diable en liet zich leiden door een zekere inertie van de taal en de uitvinding. Ik heb de mysterieuze plicht op mij genomen zijn spontane werk letterlijk te herbouwen”. Dit boek herschrijven in de 20ste eeuw betekent niets aan het toeval overlaten, jezelf een veel dubbelzinnigere en subtielere schrijfstijl opleggen, je soms verplichten ideeën te verdedigen die in strijd zijn met je eigen ideeën en je ertoe dwingen met psychologie, woordspelingen en dubbelzinnigheden te werken.

Menard besliste al zijn tussentijdse werk, kladschriften en aantekeningen te vernietigen en hield alleen de hoofdstukken van Don Quichot, waardoor naar verluidt velen dachten dat hij ze eenvoudigweg had overgeschreven. Net als Menard hebben ook de ondergrondse auteurs van Time has fallen… hun aantekeningen en de methoden die ze ontwikkelden om hun zware taak, van uit het hoofd leren en weer op papier zetten, niet bewaard of openbaar gemaakt. Wanneer we beide teksten vergelijken, kan het dat ze er, net als bij de Don Quichot van Menard, identiek uitzien. Maar we weten dat de mentale processen die tot de keuze voor een bepaalde zinswending of uitdrukking leidden, bij de tweede auteur een heel andere betekenis en consequentie hebben. Ze hebben hun eigen manieren moeten ontwikkelen om de logica in een specifieke zin of redenen voor een archaïserende uitdrukking te vinden. De Rêveries du promeneur solitaire schrijven in de 18de of in de 21ste eeuw zijn twee totaal verschillende zaken.

In het geval van Menard leidt het auteurschap Borges ertoe de ‘uiteindelijke’ Don Quichot als een soort palimpsest te zien, waarin twee boeken gedeeltelijk en op een dubbelzinnige manier kunnen worden gelezen. Ik denk dat iets gelijkaardigs gebeurt wanneer we een van de boeken van Time has fallen… openen: het lezen balanceert tussen twee werelden. Het blijkt onmogelijk alleen aandacht te schenken aan wat de eerste auteur had geschreven, want de tweede infiltreert altijd in elk van de regels, op een vanzelfsprekende manier in de variaties en op een andere, subtielere manier in de stille taal van het ondergrondse auteurschap dat zich de tekst heeft eigengemaakt.

Een van de dingen die Time has fallen… zo mooi maakt, is de spaarzaamheid aan middelen en de eenvoud van het idee: boeken uit het hoofd leren en ze dan vanuit het geheugen op papier zetten. De eenvoud heeft evenwel een grote impact, want ze veroorzaakt een schokbeweging in de stabiliteit en de fundamentele beginselen van uniekheid en authenticiteit van de herkomst waarop niet alleen de geschreven traditie, maar onze cultuur in het algemeen gebaseerd is. Het trouw blijven aan de waarheid, niet die van de identieke tekst, maar van het leven van de tekst in contact met een lichaam, is een bevrijdend gebaar dat ruimte laat voor verschillen en breekt met een zuiverheid verkregen door het vernietigen van alle dubbelzinnigheid, onduidelijkheid, vermeerdering, overmaat, anders gezegd van het lichaam voor de letter en van het auteurschap dat zich heimelijk tussen de regels verstrengelt. In het geval van de boeken van Time has fallen… gebeurt er iets gelijkaardigs als met de fictieve lezing van de Don Quichot van Menard, waarbij we altijd veel meer lezen dan wat we in een conventioneel boek van een bepaalde auteur zouden vinden. Met een vindingrijkheid die de beste fictie van Borges evenaart, vult Time has fallen… “de rustigste boeken met avontuur”.

Victoria Pérez Royo

Back to top

Mette Edvardsen (1970) is een choreograaf, danser en performancekunstenaar uit Noorwegen. Ze woont en werkt in Oslo en Brussel. Ze werkt in de podiumkunsten als choreograaf en performer. Hoewel sommige van haar werken andere media of formats – zoals video’s, boeken en teksten – verkennen, gaat haar interesse altijd uit naar hun relatie tot de podiumkunsten als praktijk en als situatie. Sinds 1996 heeft ze haar thuisbasis in Brussel, waar ze enkele jaren werkte als danser en performer voor een aantal gezelschappen en projecten. Sinds 2002 ontwikkelt ze haar eigen werk en speelt ze haar voorstellingen wereldwijd. Een overzichtstentoonstelling van haar werk werd in 2015 gepresenteerd in het Black Box Teater in Oslo. In 2010 lanceerde ze het project Time has fallen asleep in the afternoon sunshine, waarin ze het uit het hoofd leren als praktijk wil ontwikkelen. Het project loopt nog steeds. Edvardsen is momenteel als onderzoeker verbonden aan de nationale kunstacademie van Oslo.

Back to top