Simple as ABC #2: Keep Calm & Validate

Kaaitheater
  • 24/05 | 20:30
  • 25/05 | 20:30
  • 26/05 | 20:30
  • 27/05 | 20:30

€ 16 / € 13
1h 20min
EN > FR / NL

Ontmoet de artiesten na de voorstelling op 26/05: Thomas Bellinck in gesprek met Quentin Noirfalisse (Médor)

Thomas Bellinck is een Brusselse theatermaker die de afgelopen jaren van zich deed spreken met trefzekere toneelstukken over macht en politiek geweld en een futuristisch-historisch museum over het leven in de voormalige Europese Unie. Simple as ABC #2 is het tweede deel in een reeks rond een van de meest complexe fenomenen van de 21ste eeuw: de westerse migratiemachine. Vorig jaar toonde Bellinck Simple as ABC #1: Man vs Machine, een kort maar intens stuk over surveillance technologie, in het kader van het Decoratelier van Jozef Wouters op het Kunstenfestivaldesarts. In 2017 komt hij met de volgende etappe, Simple as ABC #2: Keep Calm & Validate, een documentaire muziektheatervoorstelling over digitaal migratiemanagement en het uitbesteden van ons ongemak over sociale sortering. Voor de creatie knoopte Bellinck gesprekken aan met grens- en datamanagers in de controlekamers en langs de rafelranden van Project Europa. Een voorstelling die je niet onbewogen laat.

Zie ook
Lezing Gregory Feldman

Compositie
Joris Blanckaert

Corrector Engels
Patrick Lennon

Decorbouw
Menno Vandevelde

Dramaturgie
Sébastien Hendrickx, Esther Severi

Geluid
Yannick Willox

Kostuum
An Breugelmans

Lichtontwerp
Lucas Van Haesbroeck

Muziek
SPECTRA

Productieleiding
Celine van der Poel

Scenografie
Jozef Wouters

Spel
Marjan De Schutter, Jeroen Van der Ven

Stagiaire productie
Kristien Borgers

Techniek en boventiteling
Britt De Jonghe

Technische leiding
Marie Vandecasteele

Tekst & regie
Thomas Bellinck

Vertaling Frans
Juliane Regler

Vertaling Nederlands
Lieve Dierckx & Wim Vermeylen

Zangcoach
Laurence Servaes

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Kaaitheater

Productie
ROBIN & OP.RECHT.MECHELEN

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts, Kaaitheater (Brussel), De Grote Post (Oostende), NONA (Mechelen), SPECTRA (Gent)

Met de steun van
Vlaamse Overheid, VGC, KASK/School of Arts of University College Ghent

Back to top

‘If you can’t say it, you sing it, and if you can’t sing it, you dance it’
Gesprek met Thomas Bellinck

In Simple as ABC #2 concentreer je je op het migratiemanagement van wat je ‘de westerse migratiemachine’ noemt. Wat betekent voor jou die term?
Ik neem die term over uit het discours, maar ik ben het er niet mee eens. Voor mij gaat het over migratiepolitiek. De laatste jaren vindt er binnen het migratievraagstuk een grote verschuiving plaats van politiek of beleid naar management. Dat betekent meer en meer dat humanitaire kwesties met een vorm van pragmatiek behandeld worden. Migratiebeleid komt dan neer op de vraag: hoe manage je veel bewegingen van veel lichamen in de ruimte en hoe doe je dat zo efficiënt mogelijk? De vraag is natuurlijk welke selectiemechanismen er schuilen achter al dat gemanage, dat veel meer inhoudt dan louter ‘verkeer regelen’. De uitkomst ervan is sociale sortering: welke lichamen zijn gewenst en welke lichamen zijn ongewenst.

Het valt op dat je in vrij abstracte termen over migratie en migranten spreekt: als lichamen die bewegen in de ruimte. In de voorstelling heb je het over datasubjecten: subjecten die geregistreerd worden aan de grens en dan bestaan als een verzameling van data. In principe kan het binnen die abstracte terminologie over iedereen gaan?
Frontex, het Europese Grens- en Kustwachtagentschap dat geregeld in het nieuws komt in verband met de asielcrisis, is in principe geen migratie- maar een grensagentschap. Hun beleidsdomein beslaat effectief alle beweging die aan de grens gebeurt. Het gaat over 700 miljoen lichamen die zich elk jaar over de buitengrenzen van de EU begeven, te land, ter zee en in de lucht. Maar Frontex is in 2004 wel heel duidelijk opgericht om dat wat toen nog ‘illegale migratie’ en nu ‘irreguliere migratie’ heet, tegen te gaan. Dat gaat over 0,14% van die 700 miljoen lichamen. Het agentschap observeert bewegingen over de grens, maar vooral om inbreuken te detecteren. Dat kan gaan over dingen als drugssmokkel of wapenhandel… Eén van die inbreuken is het onaangekondigd verplaatsen van ongewenste lichamen over de grens. In die logica worden ‘irreguliere’ migranten dus in een adem gecriminaliseerd met gesmokkelde sigaretten en Kalasjnikovs. Ik wil het jargon van het management overnemen om erover te reflecteren, maar tegelijkertijd moet je oppassen dat je een aantal denkpatronen zo niet bestendigt. Al die termen en begrippen zijn ongelooflijk complex. Wat ik kan proberen, is om ze beter te begrijpen binnen een bepaald denkkader en ze dan open te vouwen aan de hand van andere mogelijke denkkaders. ‘Datasubject’ is ook zo’n term die in officiële documenten circuleert. Sommigen binnen het beleid gebruiken die term wel, anderen niet, wat wijst op de vaak grote discrepantie tussen beleidsteksten die worden uitgevaardigd en de realiteit van het veld. Maar de woorden circuleren ondertussen wel. Datasubject als term wijst voor mij op een vreemde paradox: het gaat over de objectiverende tendens om mensen te reduceren tot leesbare dragers van data, maar door je persoonlijke data word je als mens extreem gesubjectiveerd. Die paradoxale spanning tussen objectief en subjectief zit overal in het migratiebeleid. Irreguliere migranten worden algemeen beschouwd als één groep, wat ook tot uiting komt in de beeldvorming rond ‘de migrant’ in het westen. Langs de andere kant word je irregulier op basis van hypersubjectieve data. Niet langer – zoals vroeger – enkel het land van herkomst, maar ook vermogen, inkomenscategorie en persoonlijk profiel.

Je hebt een hele reeks gesprekken gevoerd met mensen die deel uitmaken van het migratiebeleid – wat je het apparaat, de machine, of het dispositief noemt. Hoe kom je van het begrijpen van hun jargon naar een weergave daarvan op scène?
Ik ben altijd geïnteresseerd in discoursanalyse – niet alleen in wat mensen zeggen, maar ook in hoe ze iets zeggen. Vandaar dat ik kies voor een intense documentaire research als basis voor mijn werk. Alleen al in een interview zegt de wijze van vertellen, via haperingen of herhalingen, veel over de manier waarop die persoon zich verhoudt tot datgene waar hij of zij over praat. Gaandeweg merkte ik dat er rond migratie en migratiemanagement een ongelooflijke productie en circulatie van beelden bestaat. Die beelden kunnen zowel verbaal als visueel zijn: woorden als ‘migratiestroom’ of ‘migratiegolf’, foto’s van heel veel mensen samen op een bootje, heel veel mensen samen op een hek, heel veel mensen die zich in een slang over de snelweg bewegen. Veel van die beelden worden binnen het beleid en cours de route gecreëerd en overgenomen door het apparaat als geheel. ‘Apparaat’ is trouwens ook een dubbelzinnige term: het risico van het gebruik ervan is dat het lijkt alsof het over één instantie gaat, terwijl het eigenlijk gaat over een netwerk dat bestaat uit biologische actoren, machines, verschillende organisaties…

Wat interessant is aan het woord apparaat – en de manier waarop het woord in het creatieproces je materiaal structureert – is dat het gaat over één manier van denken. Je creëert een metafoor: een machine waarin een bepaalde logica zit, die, eens de machine in gang gezet is, zichzelf de hele tijd voortstuwt.
Het netwerk is als term inderdaad te vrijblijvend voor wat ik in de voorstelling wil doen, want daarin mis je de intentie van het apparaat. Ik vind het interessant hoe de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben praat over het apparaat of het ‘dispositief’. Hij heeft het over de spanning tussen drie dingen: wie het apparaat creëert, waarvoor het dient en het moment dat het apparaat het overneemt. De wereld valt uiteen in levende wezens en apparaten, stelt hij. De apparaten zijn op een gegeven moment door de levende wezens gecreëerd, en nu zitten de levende wezens opgesloten in de apparaten, waardoor er een strijd ontstaat om uit het apparaat te breken. Bij Agamben is dat apparaat bijvoorbeeld een gsm: een object gecreëerd met een bepaald doel. Dat doel bestaat nog steeds maar op een gegeven moment neemt het apparaat het over en ben je als mens onderworpen aan de consequenties ervan. Het apparaat is niet alleen het toestel dat dient om iemand mee te bellen, maar ook veranderingen in je gedragspatroon die het gebruik ervan teweegbrengt, ook kinderarbeid in kobaltmijnen, ook angst voor schadelijke straling… Je kan niet zomaar uit het apparaat stappen, maar je kan het ook niet kritiekloos aanvaarden. Wat is dan de weg daartussen? Hoe kun je het apparaat zichtbaar maken, de handleiding ervan blootleggen en dan proberen erop in te grijpen? Dat is eigenlijk wat ik probeer te doen in de voorstelling.

Wat is het verschil tussen het ruwe documentaire materiaal dat je als onderzoeker en interviewer verzamelt en de interpretatie van dat materiaal in de voorstelling? Hoe gaat dat materiaal zich gedragen binnen het vormgeven van je eigen vertelling?
Ik vertrek doorgaans vanuit een documentaire realiteit. Ik neem gesprekken op en zie deze als plastisch materiaal dat ik kan beginnen kneden en dat ik fictionaliseer. Ik probeer zo transparant mogelijk te zijn in hoe ik fictionaliseer. Zowel naar een kijker toe als naar de mensen die ik interview. Als ik met iemand ga praten ben ik open over wat ik met het materiaal ga doen. Ik tracht – indien mogelijk – langetermijngesprekken uit te bouwen, zoals met Frontex bijvoorbeeld. In 2015 maakte ik binnen de voorstelling Infini van Jozef Wouters – met wie we nu ook samenwerken voor de scenografie – Simple as ABC #1: Man vs Machine. Dat was een kort theatraal essay over migratiespitstechnologie, waarvoor we de ‘situation room’ van Frontex als set nabouwden. Ik heb hen toen scènefoto’s doorgestuurd. Voor Simple as ABC #2 heb ik ze voorgesteld om tien minuten van de nieuwe voorstelling aan hen uit te besteden, waarvoor ik mijn hele team ter beschikking zou stellen. Op die letterlijke vraag gingen ze uiteindelijk niet in, maar het leverde wel een gesprek op, waarin ze een scène voorstelden over een reddingsoperatie. Het gesprek over die scène zit nu wel in de voorstelling. Wat ik verder respecteer is ieders anonimiteit. Ik haal in de voorstelling sowieso alle verwijzingen naar specifieke agentschappen en instellingen weg, zodat je niet weet wie vanuit welke instantie vertelt. Ik verander de namen van de mensen waarmee ik praat of laat namen weg. Eigenlijk probeer ik het materiaal los te koppelen van de mensen zelf, zodanig dat je meer een symfonie van stemmen krijgt, een meerstemmig apparaat dat soms ook sputtert en zichzelf tegenspreekt.

Je hebt al vroeg in je proces gekozen om een deel van de voorstelling tot een musical te maken – dat deel eigenlijk waarin het apparaat, de machine, aan het woord is. Waarom koos je die vorm?
De keuze voor een musical was aanvankelijk heel intuïtief. In werken met documentair materiaal ga ik steeds op zoek naar welk soort narrativiteit we nodig hebben om ons te verhouden tot onze complexe realiteit. Een realiteit die het niet meer kan hebben van causale, lineaire narratieven of metaforische personages. Musical is een dramatisch genre dat vorm en inhoud op een interessante manier loskoppelt. Je zet iets op muziek en je bent onmiddellijk weg van een soort naturalisme. Er bestaat een fascinerende boutade in het musical-genre: ‘If you can’t say it, you sing it, and if you can’t sing it, you dance it.’ Dat intrigeert me omdat ik binnen het documentaire de mogelijkheid tot transformatie soms mis. Het documentaire heeft vaak een ontmaskerende reflex waarbij het pedagogisch-informatieve primeert: ‘Wij tonen u de waarheid achter…’ Terwijl ik op zoek wil gaan naar iets imaginairs, iets speculatiefs. Iets dat een perspectiefwissel kan teweegbrengen, eerder dan een dominant narratief te vervangen door een volgende waarheidsclaim.

Thomas Bellinck in gesprek met Esther Severi (Kaaitheater, 2017)

Back to top

Thomas Bellinck (1983) studeerde in 2009 als theaterregisseur af aan het RITCS, de Brusselse hogeschool voor audiovisuele en dramatische kunsten. Daarvoor studeerde hij Germaanse Taal- en Letterkunde aan de KU Leuven. Tijdens zijn opleiding aan het RITCS trad hij op in verschillende producties, onder ander bij het Nieuwpoorttheater, Theater Antigone en ‘t Arsenaal. In 2009 werd hij geselecteerd voor het Theaterfestival met een politieke actie met geïllegaliseerde immigranten in hongerstaking. Hij opende het festival dat jaar met een toespraak getiteld We were dying and then we got a prize. Nog in 2009 creëerde hij samen met Ewout D’Hoore een voorstelling met gedetineerden uit de hulpgevangenis van Leuven, waarvan het repetitieproces werd vastgelegd in de documentaire tv-reeks Leuven Hulp. In 2010 richtte hij samen met acteur en voormalig studiegenoot Jeroen Van der Ven het theatergezelschap Steigeisen op. Onder de vlag van Steigeisen creëerden ze de performances Fobbit, Billy, Sally, Jerry and the .38 Gun, Lethal Inc, De Onkreukelbare en Memento Park. In 2011 werd ook Lethal Inc., een PowerPoint-voorstelling over de zoektocht naar humane terechtstellingsmethoden, geselecteerd voor het Theaterfestival. Naast zijn werk met Steigeisen speelde Thomas Bellinck ook in de opera Middle East van Frank Nuyts (Muziektheater LOD) en werkte samen met patiënten van het psychiatrisch ziekenhuis Sint-Jan de Deo aan Berg, een filmreportage over een onzichtbaar theaterstuk. In 2013 creëerde hij Domo de Europa Historio en Ekzilo (KVS), een futuristisch-historisch museum over het leven in de voormalige Europese Unie. Na een eerste speelreeks in Brussel reisde het museum naar andere Europese steden als Rotterdam, Wenen, Athene en Wiesbaden. Samen met schrijver en theatermaker Pieter De Buysser richtte Thomas Bellinck in 2015 ROBIN op, een Brussels autonoom-collectief productiegenootschap, bezield en beheerd door kunstenaars. Sinds 2017 is Bellinck als doctoraal onderzoeker in de kunsten verbonden aan KASK / School of Arts van de HoGent, waar hij werkt aan Simple as ABC, een reeks performances en installaties over de ‘Westerse Migratiemachine’. In het kader van Infini, het Decoratelier van kunstenaar en scenograaf Jozef Wouters, creëerde hij in 2015 Simple as ABC #1: Man vs Machine, een theatraal essay over migratiespitstechnologie.

Back to top