Open House

Les Brigittines
3/05 > 22:00
4/05 > 18:00
6.7/05 > 20:30
Duur: 80'
Esp > Ondertiteling: Fr & Nl

‘Het gaat over eenzaamheid, verlatenheid. Een persoonlijk thema, pijnlijk en moeilijk bespreekbaar. Maar het leven is kort, ze hebben geen tijd te verliezen: zeker niet met dingen die hen niet dierbaar zijn. Ze doen mee aan Open House.’

(Daniel Veronese)

‘Ze’ zijn tien acteurs, die voor hun eerste stuk een beroep deden op Daniel Veronese, bekend auteur in Buenos Aires en stichter-regisseur van de groep El Periférico de Objetos. Erg jonge mensen nog, schuchter maar met genoeg lef om de stilte te breken. Op gitaar, aan de piano, in de microfoon zingen ze, fluisteren ze over de blauwe plekken op hun ziel… Sensueel, broos. Maar ze houden stand. Met Lou Reed en John Cale dwalen ze rond onder het licht van de sterren, in een wereld somewhere over the rainbow…

Regie& Dramaturgie:

Daniel Veronese.

Acteurs:

Melina Milone, Eugenia Iturbe, Julieta Petruchi, Mariana Paz, Nayla Pose, Juan I. Alvarez, Olga Nani, Natalia Segre, Gustavo Antieco, Martin De Goycoechea

Regie-assistenten:

Gonzalo Martínez, Marcelo Alcon

Lichtontwerp:

Gonzalo Córdoba

GrafiekGrafiek:

Gonzalo Martínez

Presentatie:

Les Brigittines-Bruxelles, KunstenFESTIVALdesArts

Back to top

... DE POËZIEMACHINES...

(Enkele beschouwingen na een bewogen namiddag. 15/5/01)

Dit is wat Karl Kraus zegt over logica: Logica is de vijand van kunst. Maar kunst hoeft daarom de vijand niet te zijn van logica. Logica moet minstens één keer door kunst worden geproefd en er volledig door worden verteerd. Om te kunnen stellen dat 2 X 2 = 5, moet je weten dat 2 X 2 = 4. Wie de tweede som niet kent, beweert ongetwijfeld dat de eerste fout is.

Ik heb hier even over nagedacht en volgens mij moeten we proberen om een poëziemachine te maken. Een machine die waarnemingen produceert en gevoelens opwekt die niets te maken hebben met logica. Een machine die maakt dat 2 x 2 = 5.

Zo’n machine in ons hart, dat is wat we allemaal zouden moeten hebben. En de voorstelling wordt dan de som van al die machines. Ik heb een voorstelling altijd graag opgevat als een machine die waarnemingen produceerde. Maar een machine die méér is dan louter een kil object.

Hoe zitten de machines in elkaar? We zouden ze kunnen beschouwen als een concentratie van functies (of van functiestoornissen) die theatrale handelingen voortbrengen. Een handeling is alles wat me toelaat om iets te veranderen naargelang ‘het vermoedelijke’ (niet te verwarren met ‘het mogelijke’) en het noodzakelijke. Met wat noodzakelijk is om een doel te bereiken, hou je beter geen rekening, hoe mooi dit doel ook mag zijn: vergeet het resultaat dat je zou willen bereiken. De handeling moet krachten uit balans brengen. Het is de handeling die de waarneming van de toeschouwer kleurt: ze heeft impact op de perceptie van het publiek. Het is altijd goed om zich af te vragen wat de toeschouwer precies ziet, om je even in zijn plaats te stellen. Hij neemt alles in zich op als kwam het van het personage (ook al ensceneren we eigenlijk onze eigen onzekerheden, verwarring en improvisatie). Rumoer of fysieke actie betekenen niet altijd een dramatische ontwikkeling of een climax: daarvoor moet een verandering iets teweegbrengen. Wanneer we niets doen, wanneer er geen beweging is, verandert er niets en blijft het evenwicht bewaard. En dan gaan we ons vervelen – zoveel is zeker.

Met verhaal X kan ik mensen boeien (of niet). Wanneer ik er mijn persoonlijk geheim aan toevoeg – een element dat af en toe, in golvende bewegingen, opduikt in de perceptie van de toeschouwer – dan kan gezegd worden dat ik een poëziemachine aan het bouwen ben. Iets bijna tezelfdertijd verhullen en onthullen, dat maakt indruk op de toeschouwer. Zijn gedachtegang wordt geprikkeld. Het is spelen met de betekenis van woorden en met het al dan niet verklappen van je geheim. Spelen is hier eigenlijk synoniem voor misleiden. Sommige toeschouwers nestelen zich wat dieper omdat ze het spel menen begrepen te hebben… het komt erop aan om die toeschouwers in de war te brengen. De spelregels te veranderen. Het spel bloot te leggen. Of het juist terug te bedekken. Misschien is dit ook het moment om op de proppen te komen met dat ene talent waar je zo trots op bent. Of misschien zal je ervoor zorgen dat de toeschouwer nooit vat krijgt op het spel dat voor hem wordt gespeeld.

Iedereen wacht op ’een idee‘, of toch minstens op ’een duidelijk idee‘. Deze verwachtingen tenietdoen. De ui ontdoen van zijn schil en van zijn lagen. Middeltjes vinden om te misleiden, om de machine aan het draaien te brengen en draaiende te houden. En het is niet omdat de machine niet wordt afgezet dat zij de hele tijd moet blijven draaien. Zij heeft veeleer te maken met de perceptie van de toeschouwer dan met onze eigen perceptie van tijd en ruimte. De toeschouwer ziet, hoort, denkt, wantrouwt, ontcijfert, anticipeert of probeert het althans, probeert ook verwijzingen te vinden in alle uitdrukkingen die ik ben, met mijn lichaam, mijn stem, mijn kostuum, mijn rekwisieten, mijn muziek, maar ook met mijn stilte en mijn roerloosheid. Vergeet niet dat een schreeuw duidelijker te horen is in de stilte. Een hand die gedurende enkele oneindig lange minuten het gezicht van een acteur viseert, creëert meer spanning dan een knallend schot. De spanning bespelen om de drang naar méér te vergroten. Op die manier wordt de toeschouwer van begin tot einde bespeeld.

Ik dacht aan het podium en ik dacht aan jullie. Jullie moeten er gewoon bij zijn. Het is een ernstige situatie. De School eist het en verwacht het van jullie. Pathetisch genoeg. Zet geen pathetiek op scène. Laat pathetiek voorbijgaan zoals een gevoel in de ogen van wie jullie aankijkt. Plaatsnemen ónder het publiek. Ondergeschikt. Of toch beslist niet slimmer willen zijn dan het publiek. Ze zullen jullie nog liever zien. Vergeet niet dat geen enkele acteur kan zonder de steun van het publiek. Laat het publiek zich achter de zwakste scharen.

Ik dacht aan een uienvelletje dat het volledige spektakel zou kunnen bedekken. Om vervolgens te worden geschild. Dit is de situatie: een debuterende acteur. Zou dat niet ontroerend zijn? Dat je dit optreden beleeft als was het de eerste keer. Je bent niet dom en niet verlegen. Je weet alleen niet hoe je zo’n situatie moet spelen. Of je beseft dat alles wat je al die jaren op School leerde gewoon weggewist is, van de schrik. Een black-out. Een min of meer gecontroleerde verstarring. Ik kan ternauwernood ademhalen. Schrik en ontzag voor al die mensen die naar ons zijn komen kijken. Ik móet het publiek gewoon aankijken, met bewondering, verwondering, respect. Woorden van dank? Ik ben nederig want ik sta op het punt iets te brengen en ik zal het zo goed mogelijk doen; ik voel me bang omdat ik niet weet of ik zoveel verwachtingen kan inlossen. Publiek is een indrukwekkend gegeven. Zoiets voelde ik nooit tevoren. Ik had het me anders voorgesteld. Anders? In welke zin?

Het is uiteindelijk niet het personage maar enkel de persoon die met het publiek wordt geconfronteerd. De woorden die ik las, maak ik tot de mijne. Het publiek kan niet weten dat ze niet van mij zijn. Ik moet het misleiden. Maar om dat te doen, moet ik oprecht zijn. Een wrede paradox. Ik mag geen spel spelen. Ik weet niet meer hoe dat gaat. Maar daar zijn ze. Ze moeten me aanvaarden. Tot alles ben ik bereid. Tot elke prijs. Het publiek mag niet denken dat wij een klein provinciaal theatergezelschap zijn dat na vele jaren van repeteren voor de spiegel nu door weet ik veel welke gelukstreffer kan optreden in een theaterzaal van de hoofdstad. Ik kijk naar mijn kameraden. Ik voel dat onze speeltijd beperkt is, we hebben die notie van theatrale tijd niet. Wij werden enkel met onszelf geconfronteerd, als spiegels, en beeldden ons magnifieke decors en mooie replieken in. Ik weet niet meer wat een conflict is. Ik heb alleen die tekst in mijn hoofd en gelukkig heb ik ook mijn geheim, en één of ander talent dat bij mij op jonge leeftijd werd ontdekt en waarmee ik in het middelpunt stond van familiefeestjes. En ik heb ook – en dit houdt me recht – dat diepgewortelde gevoel van mysterie en vrees voor dat duizend ogen tellende monster dat me lijkt te verslinden.

Ik heb deze ruimte om zo lang te blijven als ik wil, de tijd die ik nodig heb. Ik heb dit publiek, een nieuwe prothese. Niet mijn eigen prothese want ze is niet van mij. Een plaats waar ik me aan kan vastklampen, waarop ik kan steunen. Een maanlandschap, de minna(a)r(es) die elk gedroomd verlangen overtreft. En we weten niet of hij/zij ons zal omhelzen of ons de laan zal uitsturen. Ik praat niet met hem maar voor hem. Ik slaag erin om de vreselijkste ontboezemingen te doen. De meest ongehoorde uitlatingen om te kunnen liefhebben en om te worden geliefd. Ik slaag er ten slotte in om het banale van mijn dagelijkse leven om te zetten in een echte poëziemachine. En om die machine te delen. Echt te delen. Daarom ben ik hier. En anders ga ik weg. Ik vind dat poëziemachines zouden moeten vallen onder de hemelse categorie van de machines van de waarheid. Voor mij is het méér dan een voorstellingsmachine. Op een podium kan je oprecht zijn zonder een spel te spelen. Of zonder in de huid te kruipen van een personage.

Is het niet verontrustend zichzelf voor te stellen als een machine die diepzinnige, mooie en vreemde percepties creëert? De eerste stap is proberen ze in te beelden, zoals ik doe. Op dit moment bestaat de machine alleen in de verbeelding. Of ze ook werkelijk zal draaien, dat zien we pas wanneer we op het toneel staan. Daarbuiten kan je van niets zeker zijn. Het zou wat te gemakkelijk worden. En iedereen zou zich kunstenaar kunnen noemen.

(Daniel Veronese)

Back to top