Notre besoin de consolation est impossible à rassasier

Les Brigittines

4/05 > 20:30
5.9.11/05 > 18:00
10/05 > 22:00
FR - Subtitles: NL - 60’

Onze behoefte aan troost is onverzadigbaar, stelt schrijver Stig Dagerman, en met hem regisseur Armel Roussel, voor de derde keer te gast op het festival. En daarmee zeggen ze alles. Roussel: “Het theater van de grote waarheden is dood. Door alles altijd te willen uitleggen, vergeten we de essentie.” In het medium van het woord, theater, ruimt Roussel plaats voor de stilte. Een stilte die de dingen van binnen doet rommelen. Waarin de tekst van Dagerman – één van de grote namen van de Zweedse literatuur in de jaren ’40 – in al zijn wanhoop en menselijkheid naar voor komt. Een stilte die plaats laat aan de bevreemdende mechanische objecten van bricoleuren plastisch kunstenaar-tegen-wil-en-dank Gilbert Peyre. Notre besoin de consolation est impossible à rassasier is het eerste deel van wat Roussel voorlopig zijn Body Building Trilogie noemt.

Tekst: Stig Dagerman

Vertaling: Philippe Bouquet

Regie: Armel Roussel

Acteurs: Karim Barras, Kalia Barras, Urteza Da Fonseca, Kitty Kortes Lynch, Vincent Minne

Compositie muziek, geluid & muzikant: Pierre-Alexandre Lampert

Plastisch kunstenaar: Gilbert Peyre

Assistent plastisch kunstenaar: Aligna

Technisch directeur: Pierre Stoffyn

Technische coördinatie: Sonia Rickli

Raadgeefster kostuums: Mina Lee

Algemene assistent: Eric Castex

Licht: Marion Hewlett

Productieleiding: Laurent Henry

Productie: Utopia asbl (Brussel/Bruxelles)

Coproductie & presentatie: Les Brigittines-Bruxelles, KunstenFESTIVALdesArts

Met de steun van: Le Ministère de la Culture de la Communauté Française de Belgique – Service du Théâtre, l’Association Française d’Action Artistique et le service de coopération et d’action culturelle de l’ambassade de France à Bruxelles

Back to top

Voor de eerste keer sinds ik begon te regisseren, is mij nog niet duidelijk wat ik ga doen. Ik dwing mezelf om niets vast te leggen. Ik doe voort, op de tast, en volg mijn gevoel. Ik zie de puzzelstukjes verspreid rond mij liggen, uitnodigend, maar het is alsof ik niet kan bewegen. Ik heb nog nooit zo’n gevoel gehad vóór ik aan een voorstelling begon. Binnen twee maanden beginnen de repetities: twee lange, grote, trage en korte maanden die er veel te snel zullen zijn. Ik lees: “Mijn macht zal geen grenzen kennen op de dag dat ik mijn onkreukbaarheid slechts met mijn stilte zal kunnen verdedigen, want geen enkele bijl heeft vat op de levende stilte” en ik hoor de stem van Vincent , tegelijk stilletjes en verscheurend. Moet ik zijn stem versterken? Geen ironie. Kalia zit op haar schommelpaard. Karim speelt muziek met Pierre-Alexandre. Urteza zondert zich af terwijl ze zachtjes een gedicht van Aragon fluit. Kitty danst. Zal ik de moed hebben om mijn eigen geweld te overstijgen? Ik weet het niet. Ik weet het echt niet. Messen vallen en de stilte valt neer. Silence is sexy . De werken van Gilbert wandelen door de tekst en alles wordt nog mooier. Ik heb het koud.

Gilbert en zijn universum waar alles mechanisch omgebouwd wordt, elektrisch bewerkt en op een maniakale manier omgetoverd tot gedicht. Gilbert die zichzelf een “elektro-mecano-maniakaal” plastisch kunstenaar noemt. De ontdekking van zijn werk in Parijs, nu één jaar geleden, was een schok. Tien keer heb ik de tentoonstelling bezocht. Elke keer opnieuw was ik betoverd door dit universum dat tegelijk musée des Arts et Métiers is, machinekamer, kermis, music-hall, opera, goochelaarsshow, schimmenspel, ceremonie, liturgie, défilé, zoo, circus, mechanische komedie, orgie en doodgrappige catastrofe. Dagerman had zich al in mijn hoofd genesteld en de betovering die ik op dat moment voelde, maakte deel uit van het project. Vincent is afgekomen en we waren hysterisch.

De voorstelling Notre besoin de consolation est impossible à rassasier (Onze behoefte aan troost is onverzadigbaar) is het eerste deel van een trilogie die ik voorlopig de Body Building Trilogie noem, letterlijk: de trilogie van de constructie van het lichaam. Het tweede luik zal naar Hamlet zijn. Het derde: Les Amis font le Philosophe (Die Freunde machen den Philosophen), van Jakob Lenz. De stilte. De twijfel. Het onbeëindigde.

Notre besoin de consolation est impossible à rassasier werd geschreven door de Zweed Stig Dagerman op zijn dertigste. Hij is de “vallende ster van de jonge Zweedse literatuur van de jaren ‘40”, degene waarvan men zegt dat hij voor altijd zijn koortsige stempel gedrukt heeft op zijn tijdperk en op de literatuur. Notre besoin de consolation est impossible à rassasier, geschreven in de eerste persoon, straalt tegelijk licht en angst uit, een mengeling die zich voedt aan opstandigheid, hoop, helderheid en ontreddering. Na het schrijven van de twaalf pagina’s pleegt Dagerman zelfmoord. Maar ik wil de tekst gescheiden houden van de biografie; voor mij is deze tekst geschreven om te leven, niet om te sterven.

Hamlet vertelt ons over het bedrieglijke van de werkelijkheid en zegt dat de waarheid in de illusie schuilt. En Stréphon eindigt, zijn handen om de knieën geslagen, alleen, terwijl hij zegt “O, zielsveel van iemand houden, wat een genot!”. Drie teksten die elk het begrip van de ‘erfenis’ die wij meedragen in vraag stellen en zich afvragen hoe zin te vinden in een oppervlakkige maatschappij.

Waarschijnlijk omdat de voorstellingen alledrie over het overstijgen van normen gingen, werd over Roberto Zucco (1996, Bernard-Marie Koltès), Les Européens (1998, Howard Barker) en Enterrer les Morts/Réparer les Vivants (2000, naar Platonov van Tsjechov) gesproken als over een trilogie, hoewel dit nooit mijn bedoeling geweest is. Als er al sprake is van een trilogie, dan is dat omdat de drie stukken een duidelijke illustratie waren van wat men ‘ideeëntheater’ zou kunnen noemen. Body Building Trilogie daarentegen wil op een intiemere manier theater maken, één die nauwer aansluit bij gedachten dan bij ideeën. Dagerman vormt de ruggengraat en de belangrijkste inspiratiebron van het eerste luik. Een project dat zich aankondigt als een maalstroom: beslis ik niet over de verschillende onderdelen, dan laat ik mezelf de mogelijkheid om me door het geheel te laten meeslepen.

Ik probeer het vooral te hebben over de twijfel en het gewelddadige van de twijfel. Over de moeilijkheid om alles voortdurend in vraag te stellen en over het afzien en het plezier dat daaruit voortvloeien. De enscenering die ik zoek moet sensueel zijn: ze moet het gevoel en de gedachten aanspreken, eerder dan het intellect, de analyse of de idee. In de ontmoeting met Gilbert vind ik dat universele terug: het geeft op een poëtische manier vorm aan mijn indrukken zonder ze onherroepelijk vast te leggen. Dat is wat we gemeen hebben.

GILBERT PEYRE.

– Als iemand zegt dat zijn zoon beter tekent dan Picasso, dan is dat omdat Picasso de spontaneïteit van kinderen wou terugvinden.

ARMEL ROUSSEL.

– Dat is heel belangrijk.

KUNSTENFESTIVALDESARTS.

– Gaan jullie concrete antwoorden geven op de filosofische vragen van Dagerman?

ARMEL ROUSSEL.

– Theater rechtvaardigen door de realiteit betekent de dood van het theater.

GILBERT PEYRE.

– Dat is waar.

ARMEL ROUSSEL.

– De werkelijkheid is duizend keer sterker dan kunst.

GILBERT PEYRE.

– Dat is waar.

ARMEL ROUSSEL.

– De problemen van de wereld gaan mij aan, maar ik heb geen zin om daar een voorstelling over te maken.

GILBERT PEYRE.

– Net wat ik denk.

ARMEL ROUSSEL.

– Door alles te willen uitleggen, vergeten we de essentie.

GILBERT PEYRE.

– Net wat ik denk.

In het fragment dat ik gekozen heb, uit De schrijver en het geweten, schrijft Dagerman “net wat ik denk”, zoals Gilbert zou zeggen. Voor hem, net als voor mij, is het gedicht een boodschap, van één mens aan een ander. Een boodschap die niet onmiddellijk elke gedachte blootgeeft. Als jullie me aanvallen (het is Dagerman die spreekt) door te zeggen: ‘het volk, de massa, de arbeiders begrijpen je gedicht niet, je werk is niet sociaal genoeg’, dan heb ik het recht te antwoorden: ‘jullie redenering is gebaseerd op een misverstand, dat wil dat alleen sociale gedichten door iedereen begrepen worden.’ (…) Voor die mensen is poëzie niet langer een boodschap van één mens aan een ander. Voor die mensen is poëzie afgezwakt tot het niveau van een gezelschapsspel. (…) Wanneer zij luidkeels een Reactie eisen bij het lezen van een gedicht dat je niet in vijf minuten van buiten kan leren of dat niet onmiddellijk al zijn nuances blootgeeft, dan zijn zij het die reactionair zijn, (…) want ze ontkennen dat literatuur belangrijk kan zijn voor de mens – niet als een gezelschapsspel, maar als een toetssteen voor de eigen eerlijkheid tegenover het leven (…). Het spreekt voor zich: de schrijver kan hen die literatuur niet serieus willen nemen, het recht niet ontnemen om kritiek te geven zowel omwille van een gebrek aan helderheid als omwille van om het even wat, maar hij moet beseffen dat het tegen die mensen is dat hij literatuur moet verdedigen en dat hij gelijk heeft als hij zegt: als literatuur een gezelschapsspel is, dan zal ik in het avondschemer buitenkomen, mijn voeten in het zwart gehuld, om vriendschap te sluiten met de slangen en de kleine grijze woestijnrat. Maar als literatuur onmisbaar is voor het leven, vergeet dan niet uw sandalen thuis, en let op de hoopjes stenen! Want daar zitten de slangen die mij in de enkel willen aanvallen, en de woestijnrat die me misselijk maakt.

Armel Roussel, december 2001

Back to top