hirondelle / dooi vogeltje / the great swallow

1/05 sunrise - 7/05 sunset

hirondelle/dooi vogeltje/the great swallow is een zeven dagen durende toneelvoorstelling die zich 31 meter boven de Anspachlaan in Brussel afspeelt.

In dertien staties doet Benjamin Verdonck het tragische verhaal van een man die KOMT, ZIET, SPREEKT en - in een poging zijn toehoorders te omarmen - VALT. Na Bara/ke 2000 op het Baraplein is deze toneelvoorstelling het tweede luik van de Publieke Domeinencyclus, een onderzoek naar kracht en functie van theatraliteit in relatie tot openbare ruimte.

Door/Par/By : Benjamin Verdonck

In samenwerking met/En collaboration avec/In collaboration with : Samuel Verdonck, Michael Verdonck, Valentine Kempynck, Filip Vervaet, Bureau vers plus de bien-être, Sarens n.v., Margarita Production, Alexis Destoop

Productie & presentatie/Production & présentation/Production & Presentation : KVS/de bottelarij, Villanella, Pop vzw, KunstenFESTIVALdesArts

Met de steun van/Avec le soutien de/Supported by : Stad Brussel/Ville de Bruxelles, Vlaamse Gemeenschapscommissie

Back to top

Brussel, april 2004

Naar het toneel gaan, wat is dat?

Er zin in hebben, en geloven dat we die zin kunnen tevreden stellen met een voorstelling naar onze keuze;

Ervoor zorgen dat we het voorwerp van ons verlangen kunnen bekomen en daarom een ticket kopen;

Naar een meestal overdekte plaats gaan, en op een bepaald uur neer gaan zitten voor een zwarte of witte doos, die weldra het licht zal werpen over acteurs waarvan we verwachten dat ze ons raken met hun woorden en daden;

Naast mensen zitten die dezelfde keuze gemaakt hebben als wij;

Allemaal in dezelfde richting kijken, naar die artiesten die zich impliciet tot ons richten, bij voorkeur zonder oogcontact te zoeken;

In het beste geval: samen jubelen over wat we zojuist samen ontdekt hebben.

Wat voor zin heeft het te leven, als niemand de wereld kan bekoren?

De acteur Benjamin Verdonck staat met plezier op de planken en denkt er niet aan het podium te verlaten.

Maar van kindsbeen af heeft hij ook nog een andere passie: hij heeft er altijd van gehouden hutjes te bouwen, waar hij maar kan.

En als we nu eens het theater der theaters een andere wending gaven?

Alles begint in 1999. Bronkx vraagt Benjamin Verdonck iets leuks te bedenken voor de kinderen in het kader van zijn festival in de bottelarij. ‘Geen kant-en-klare voorstelling’, denkt hij. ‘We moeten voor de kinderen een warme, gastvrije ruimte creëren, die hen het dagelijkse leven even doet vergeten’. In het theater begint hij met eigen handen een houten hut te bouwen met een kleine slaapkamer, een woonkamer en een keuken. ‘Een intuïtieve aanzet’, zegt hij: het is het intuïtieve begin van een proces dat niet zonder gevolg zal blijven. Hij woont twee weken in de hut en nodigt de kinderen uit hem daar te bezoeken, even te blijven, hij praat met hen en beantwoordt hun vrolijke, nieuwsgierige vragen. De kinderen zijn opgewonden en geïntrigeerd, en stoppen hun pret niet onder stoelen of banken. Het is een echt feest.

Niets is betekenisvoller dan van betekenis te veranderen...

Zomer 2000. In het kader van een grootscheepse stedelijke actie, die de achtergestoken wijk Kuregem in Anderlecht meer kleur wil geven, doet City Mine(d) een beroep op Benjamin Verdonck. De acteur stemt onmiddellijk in. Wat gebeurt er als een performer buiten het theater op avontuur uitgaat om zijn nest in de werkelijkheid te bouwen? In het hart van het niemandsland van het Baraplein staat plots een gele kraan, waaraan hij een nieuwe hut met balkon hangt... op zeven meter hoogte. Van ver, lijkt het een zusje voor de Pensioentoren bij het Zuidstation. In volle zomer installeert Benjamin zich voor twee weken in de hut en houdt er een boordjournaal bij, dat dagelijks verschijnt in De Morgen.

‘Hee Benjamin, ça va? Hebt ge compagnie? En kabeltelevisie? Hee, meneer, mag ik eens tot boven komen? Ik heb van alles, fruitsap en goeie shit. Hee, Benjamin, hoeveel vraag je om eens voor twee minuten je hut te huren? Mijn vriendin en ik ontploffen van de goesting. Hee, Romeo, kom van je balkon, en ga mee met mij de wereld rond reizen.’ Hij ontvangt een brief van een grootmoeder: ‘Dag Benjamin, je doet me denken aan mijn jeugdjaren. Met mijn zus en mijn drie broers kropen we in de bomen op straat en lieten we pluimen vallen op het hoofd van de voorbijgangers, of reden met twee op de achterbumper van de tram. Een keer zijn we in een grote, rode postbus gekropen (de postbode was vergeten ze te sluiten) en elke keer dat iemand een brief in de bus gooide, riepen we ‘Dank u, mevrouw! Dank u, meneer!’. Ik kom die man met zijn groene hoed tegen, die ik twee keer op de grond heb zien vallen en dan verzen van Rimbaud en Verlaine heb horen zingen. Ik kom Tom en Eliane tegen, die een fles pastis en twee schaaltjes chocolademousse voor me mee hebben. Ik zie Moris en Abdel, de straatvegers. Ik zie ook Aila, en de broers Mario, Abdel en Iuno, Mohammed, Yarsin en Yasmine, de vaste klanten van het Baraplein. Ik zie de dame van het wassalon Fou de toi. Ik zie ook Sidi en Stan uit Kongo, Brazzaville. En daar komt Medine met zijn hond: hij loopt met krukken en belooft me elke avond een bezoekje te brengen. Ik ontmoet Gert, met zijn kind en zijn charmante vrouw, die me een cursus ochtendgymnastiek aanbiedt om in vorm te blijven. Ik ontmoet een ambtenaar van de Pensioentoren, die me vertelt dat ze op zijn verdieping een ruilhandel in tweelingzussen begonnen zijn…

Nu en dan komt Benjamin naar beneden om zijn boodschappen te doen en een pintje te drinken in het café op de hoek. Soms verschijnt hij op het balkon met een paardenkop, om er een vreemdsoortige ceremonie op te voeren. Zijn ‘Bara-kke’ heeft een zuiverend effect op de voorbijgangers, het geeft hun dagelijkse doen een poëtische noot, geeft ze voer voor conversatie, stimuleert hun vertellingen en creëert spontane banden. Dag na dag herleeft het verlaten plein. Op de elfde dag verandert de hut in zwarte zwaan: tijd om weg te vliegen, tijd voor het afscheidsfeest !

In mei 2001 herhaalt de acteur zijn performance op het hyperpropere en splinternieuwe Sint Jansplein, een drukbezocht marktplein, met bushalten en ondergrondse parking inclusief. Van het niemandsland naar de jachtige drukte: op welke manier kan de kunstenaar een bres slaan in de routine van het dagelijkse leven? Hoe kan hij haar prioriteiten omverwerpen?

En zo begint hij zijn ‘Publieke domeinencyclus’: een manier om de functie van het theater te beproeven buiten zijn normale omgeving, zonder voorschriften, in het hart van het publieke domein. Een poging om de stadsaders te overspoelen met verhaal en poëzie, een zoektocht die een andere idee van de maatschappij losweekt, door de ontvreemding die ze oproept op de minst verwacht plaats: als een zeepbel die in de realiteit terechtkomt en uiteenspat zodra ze met de blik aangeraakt wordt, om haar omgeving te vervullen met gratie en euforie.

‘Door mijn ervaring met theater in zalen, ben ik tot de conclusie gekomen dat de sociale of politieke ideeën die we concreet wilden formuleren op de planken, uiteindelijk enkel gericht waren op een publiek dat we al bereikt hadden. Ik wou het elders zoeken, andere soorten mensen ontmoeten, mensen die de keuze hebben om voorbij te lopen zonder naar me om te kijken, of te blijven staan. Toevallig aanwezig zijn op het traject van de man die zijn brood of zijn sigaretten gaat kopen. Mezelf niet opsluiten in een bepaalde categorie, maar nu en dan ‘overlopen’, ontsnappen uit een dromendoos, om mijn hutje neer te zetten aan de voet van de wolkenkrabbers en de normale stroom van de voorbijgangers om te leiden met iets buitengewoons: naar buiten komen om iets te vertellen over het gewone…’

Shopping is fun…

Tijdens de eindejaarsfeesten installeert Benjamin zich opnieuw in Antwerpen, deze keer in de drukste handelsstraat van de stad: de Meir. Hij verschijnt er in een mooi zwart pak, met de mouwen vol plastiekzakken die hem belemmeren bij het stappen. Terwijl iedereen zich klaarmaakt voor het grote consumptiefestijn, lijkt een jongeman de kopersstroom te vertragen en mompelt zwakjes: Help, Help… De mensen glimlachen: niet nodig een groot intellectueel te zijn om de boodschap te snappen.

Wist u trouwens dat de publieke verschijning van Sinterklaas aan banden wordt gelegd door een wettelijke regeling? Geen Sinterklaas of Zwarte Piet in de warenhuizen vóór 4 of 5 november - met andere woorden een maand vóór de Grote Geschenkendag. Benjamin weet dat, en blijkbaar weten ook veel kinderen dat. Verkleed als heilige patriarch, komt hij op straat vóór de toegestane datum, met een enorme doos om zijn boodschappen in te stoppen. Boodschappen die al veel te zwaar wegen. ‘Nee, Sinterklaas, u mag nog niet. ‘t Is te vroeg!’. De kinderen roepen hem tot de orde en voelen mee met zijn onooglijk zware taak... Zijn ze misschien iets te gulzig geweest in hun brieven aan de Sint?

Het doel van de kunst is mensen te bevrijden. Daarom is kunst voor mij de wetenschap van de vrijheid. Creativiteit is geen monopolie van de kunstenaars. Tot die cruciale conclusie ben ik gekomen, en dit bredere concept van de creativiteit is mijn concept van de kunst. Wanneer ik zeg ‘iedereen is kunstenaar’, dan bedoel ik dat iedereen de inhoud van het leven in zijn persoonlijke sfeer kan bepalen, of hij dat nu doet met schilderen, met muziek, als ingenieur, door voor zieken te zorgen, met economie bezig te zijn, of wat dan ook. Alles rondom ons, de fundamentele noties van het leven, schreeuwen het uit om gemodelleerd of bewerkt te worden. (Joseph Beuys)

In 1974 protesteert de grote Duitse beeldhouwer en schepper van installaties Joseph Beuys tegen de oorlog in Viëtnam door zich voor een week in een kooi op te sluiten met een wilde coyote. Hij draagt daarbij een deken van wolvenvilt. In 2003 inspireert Benjamin Verdonck zich op die performance en deelt gedurende een week de kooi van een zeug. Zijn doel: dat de zeug hem vertelt waarom er zoveel conflicten zijn in de wereld. Het project heet I like America and America likes me. In de Visserij, in Gent, met haar grote ramen die uitgeven op de straat, reageert hij daarmee op de – al te vaak partijdige – overmediatisering van de Iraaks-Amerikaanse oorlog. Een metafoor die doet denken aan Passolini in Porcile. Hij heeft de stille hoop het varkensachtige beeld over te brengen op de media en het publieke domein, van een oorlog waar het woord ‘petro-dollars’ verdacht goed rijmt op het Franse ‘lard’ (spek), het zo gegeerde vet van het varken… Hij geeft zijn pacifistische gedachten vorm, deze keer op een frontale en crue, rebelse manier.

hirondelle/dooi vogeltje/the great swallow

Lente 2004. De natuur wordt wakker, de dagen worden langer. De zwaluwen maken hun nest en op mooie dagen baadt de stad in het licht van een gulle zon. Benjamin Verdonck begint aan de tweede grote uitdaging van zijn cyclus ‘Publieke domeinen’, zijn onderzoek naar de kracht en de essentie van theatraliteit wanneer die in verband geplaatst wordt met openbare ruimtes. Deze keer wil hij een gradueel verhaal neerzetten in de stad, bijna een gedicht waarvan de structuur openblijft.

Zeven dagen lang hangt hij op 31 meter hoogte boven de Brusselse Anspachlaan. Zijn vreemde voorstelling vertelt het tragische verhaal van een man die KOMT, ZIET en – tengevolge van een ultieme poging om de voorbijgangers te omhelzen – VALT.

Zeven dagen lang droomt Benjamin dat elke voorbijganger die op een dag, al is het maar voor een minuut, geboeid blijft staan om te luisteren naar zijn luchtverhaal, zin heeft om ‘s anderendaags terug te keren om het vervolg te horen. Dat zijn performance niet herleid wordt tot een simpele curiositeit die daar wat in lucht hangt te bengelen, tot verwondering van het publiek. Hij ontwikkelt er een idee die hem al altijd nauw aan het hart gelegen heeft: wat is een gratis geschenk? Welke sensaties ontwikkelt die absolute daad in onze consumptiemaatschappij, waar alles vertaald wordt in monetaire termen, waar niets gegeven wordt zonder dat men er iets voor terugkrijgt. Vrijheid van ondernemen, marktvrijheid... Maar ‘het geven’ is een ‘gegeven’ dat niet meer voorzien is in ons systeem, en wanneer het al verschijnt, wordt het verdacht van achterbaksheid en baatzuchtigheid. ‘De poging tot geven’: hij hangt kwetsbaar en poëtisch aan de kracht van een betonnen toren met glazen ramen. Ik wil ‘een cadeau’ geven aan de voorbijgangers, zoals in die oude riten van de Potlatch, waar elke dorpsbewoner al zijn bezittingen verzamelt om aan het naburige dorp gratis het mooiste en grootste geschenk ooit te schenken, op het gevaar af geplunderd te worden.

Ergens, in het hoofd van de acteur, speelt de mythe van Prometheus: vandaag, boven één van de belangrijkste aders van het centrum van de stad, waant hij zich Prometheus die op de mensen neerkijkt – de mensen, aan wie Zeus, de almachtige heerser van de Olympus, het vuur weigert. Prometheus leeft met ze mee wanneer hij ze ‘s nachts ziet rillen van de kou, rooft het vuur van Zeus en geeft het hen cadeau. Enkel en alleen omdat hij ontroerd was en van ze hield...

Claire Diez

Back to top