Feeling Dubbing

Boghossian Foundation – Villa Empain
  • 09/05 | 20:30
  • 10/05 | 20:30
  • 11/05 | 20:30
  • 12/05 | 20:30
  • 13/05 | 20:30

€ 14 / € 10
40 min
Arab > FR / NL / EN

Ontmoet de kunstenares na de voorstelling op 10/05

Dubbing is het inspreken in een andere taal van films en tv-reeksen. De nasynchronisatie van de stemmen geeft het beeld een antropomorfe kracht en maakt het waarachtig. Monira Al Qadiri was als kind geboeid door in het Arabisch gedubde Japanse mangacartoons die ze in haar thuisland Koeweit bekeek. Met haar interdisciplinaire, crossmediale praktijk is deze getalenteerde kunstenares niet in een hokje te plaatsen. Voor Feeling Dubbing haalt Monira Al Qadiri de techniek van dubbing uit de achtergrond en creëert er een sculptuur van klanken mee. Ze ontdubbelt de stemmen en de personages en doet de gesproken woorden en ervaringen versmelten tot een indringend psychodrama. De stem krijgt een eigen lichaam: ze wordt ingesproken, opgenomen en weer afgespeeld, vermenigvuldigd en geëchood. De stem wordt een ding, iets dat ons vormt tot wie we zijn en wat we doen in deze wereld. Feeling Dubbing is een tragedie van fragmentering en meervoudigheid, een scherpzinnig stuk over de vertroebeling van onze levens door de constante stroom van beelden uit de popcultuur. Een cryptische geschiedenis van de Stem.

Concept, creatie & regie
Monira Al Qadiri

Met
Monira Al Qadiri, Wahid Jalal

Technische leiding & belichting
Nadim Deaibes

Reaslisatie & bedieding marionet
Jochen Lange

Scenario
Maan Abutaleb & Monira Al Qadiri

Geluid
James Kelly

Kostuums
Raya Kazoun

Technische acteur
Pol Seif

Rekwisieten
Doris Boerman, Gaelle Choisne, Aldo Brinkhoff

Figuranten
Sacha Camus, Mohammed El Majide, Jean-Vitold Godin, Emma Laurent, Zoé Lemage, Axelle Matongo Ngima, Léo Nortier, Kamal Otmani, Cameron Peki Vania Ya Luzolo, Barnabé Philippe, Simon Vanden Steen, Roxane Vanpevenaeyge, Andrei Vasilescu

Met dank aan
Adèle Cooken, Sébastien Marandon en de leerlingen van het Institut Sainte-Marie (Rue Emile Feron 5, 1060 Brussel)

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Stichting Boghossian – Villa Empain

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts, Thalia Theater / Theater der Welt 2017 (Hamburg)

Back to top

Feeling Dubbing
Zes korte verhalen over Arabisch stemacteren

Magische ruïne

Het voelde aan als een heilige bedevaart toen ik aankwam bij de ruïne van wat ooit Studio Baalbeck was geweest in een buitenwijk van Beiroet. Deze magische plek die de loop van mijn leven bepaald had was nu verlaten en lag in puin, door onkruid overwoekerd en met prikkeldraad rond de hekken. Ik had het geluk dat er buiten nog steeds een Arabisch bord hing om het fysieke bestaan van de studio’s te bevestigen. Ik stond sprakeloos bij de gedachte aan de vreemde en wonderlijke activiteiten die zich tientallen jaren geleden in de nu vervallen ruimtes hadden afgespeeld. Het was een tijd waarin het geloof in het fantasierijke leven van het pan-Arabische kind op zijn hoogtepunt was. Bijdragen aan onze collectieve culturele ervaring werd toen als iets belangrijks gezien, iets dat voor iedereen de moeite waard was. Studio Baalbeck was beroemd omwille van de albums van menig een Arabische diva die er werden opgenomen en was naar verluidt de grootste muziek- en televisiestudio in het Midden-Oosten in die tijd (1962-1994). Er bestaat echter ook een andere geschiedenis, die veel minder bekend is, die minder verteld wordt en nooit in de schijnwerpers staat, maar toch diep in ons kinderlijke collectieve geheugen gegrift staat. Een verhaal dat voor eeuwig verbannen is naar het rijk van de mythe, een verhaal van horen zeggen of een obscure blogcommentaar op het web. Het is het verhaal van de Stem.

Tweedimensionale ululaties

In de jaren 1980 nam een groep Libanese producenten en acteurs het op zich om buitenlandse tekenfilms in het Arabisch te vertalen voor kinderen in de hele Arabische wereld. Omdat animatie een technische en dure onderneming was, en er geen lokale animatie-industrie bestond, leek het nasynchroniseren (dubben) van bestaande tekenfilms een ideale manier om een generatie jonge kinderen, hongerig naar Arabische popcultuur, te voeden. Met financiële steun uit Koeweit selecteerden de Libanese producenten zorgvuldig animatiereeksen waarvan de inhoud voor het Arabische publiek niet al te bizar of vreemd leek. Omwille van redenen die ik nog niet geheel heb weten te achterhalen, waren de meeste van deze tekenfilms Japans. Maar in werkelijkheid was, ondanks de beste bedoelingen van de producenten, de inhoud inderdaad nogal vreemd en bizar voor de Arabische kijkertjes.

Mysterieuze Kanji-tekens, ongewone namen, vreemde traditionele kleding, eigenaardige gerechten, bergachtige landschappen en onverklaarbare rituelen maakten allemaal deel uit van dit haast buitenaardse brouwsel genaamd Karton Yabanee (Japanse tekenfilm). Toegegeven, vele kinderen wisten zelfs niet dat deze films eigenlijk Japans waren, wat zelfs nog bijdroeg aan het cryptische aura ervan. De tekenfilmpjes waren dramatisch en fantastisch en kwamen uit een ver mysterieus tweedimensionaal universum dat we nooit fysiek konden bereiken.

Tekenfilmachtige oorlogen

Als zevenjarigen tijdens de Golfoorlog (1990-1991) waren de dingen die we als kinderen konden doen terwijl we ons in schuilkelders of thuis schuilhielden vrij beperkt. De school was voor onbepaalde duur gesloten en we mochten het huis niet verlaten, dus verveelden we ons natuurlijk dood. Als kinderen begrepen we ook niet volledig de gevaren waaraan we blootgesteld waren. Onze ouders deden hun best om ons af te leiden van de oorlog die buiten woedde, met vindingrijk speelgoed en denkspelletjes om de lange uren binnenshuis te doden. Het grootste deel van de tijd brachten we door met schilderen en tekenen en, tussen de stroomonderbrekingen door, met videospelletjes en tekenfilms. Escapisme was in die tijd het codewoord. Vooral de Arabisch gedubde Japanse tekenfilms bekeken we steeds opnieuw op de videorecorder, waardoor de videocassette bij iedere volgende herhaling iets meer aftakelde. De beelden, de personages, het verhaal, de setting: alles was zo veel mooier en kleurrijker dan het sombere, door oorlog verscheurde Koeweit.

Mijn favoriete tekenfilm ging over een prettig gestoorde, noedeletende ninja genaamd Kabamaru, die gedwongen wordt te verhuizen naar Tokio nadat zijn tirannieke grootvader is gestorven in de landelijke Dojo van de familie. Hij gaat naar school in de stad als een ‘gewone’ middelbare scholier, maar komt algauw in de problemen vanwege zijn absolute onvermogen om zich aan het moderne stadsleven aan te passen. Ik spiegelde mezelf in zijn gebruinde huid, zijn dikke zwarte haardos en bijzonder speelse maar primitieve karakter. Door zijn bovenmenselijke Ninjavaardigheden leek het alsof de wereld oneindig en vloeibaar was. Zijn mannelijke Arabische stem was krachtig en opgetogen. Het was een dosis hyperfantasie die ons hielp bij het verwerken van de hopeloosheid van de oorlog.

Het was dus zowel toevallig als ironisch dat ik later ontdekte dat deze cartoons in Beiroet werden gedubd tijdens de vroege jaren 1980, misschien wel de donkerste jaren van de vijftien jaar durende Libanese burgeroorlog. In 1982 viel Israël Beiroet binnen en werd bericht dat Studio Baalbeck door bommen verwoest was. Alle activiteiten zijn toen stopgezet. Volgens online fanblogs was het dubben van veel van deze cartoons duidelijk een haastklus. Nasynchronisatiestemmen werden geruild of verdeeld onder zij die daadwerkelijk naar de studio konden komen. Vaak hadden verschillende personages dezelfde stem, maar soms veranderde die stem in het midden van een aflevering plots. Als jonge kijkers merkten we deze veranderingen wel op, maar ze maakten op een of andere manier deel uit van de hele mysterieuze ervaring van de tekenfilmpjes.

Nu pas begin ik me af te vragen hoe groot de druk op de acteurs wel niet moet zijn geweest en hoe zwaar de omstandigheden waarin ze de nasynchronisatie deden. Het moet hun emotionele inbreng in deze schijnbaar onzichtbare activiteit aanzienlijk hebben verhoogd. Misschien zagen ze de stemopnames wel als de laatste achtergebleven sporen van zichzelf in deze wereld – in het geval ze morgen niet meer levend zouden zijn. Verklaart dit waarom de vocale uitvoeringen en uitdrukkingen zo intens waren? Zo overtuigend? De explosieve noodzaak om overdreven creatief te zijn, weerspiegelde mijn eigen ervaring van de oorlog. De schaduw van de dood is een muze.

Feeling Dubbing

“Dit is een onderwerp over de legenden van het vroegere dubben. Ik vraag aan alle leden om het gevoel te beschrijven dat door hun favoriete stemacteur of -actrice wordt opgeroepen en in welke scènes de intensiteit van de stem niet in woorden kan worden gevat. Wat mijn persoonlijke mening over het gevoel bij nasynchronisatie betreft, ik bedoel wanneer de stem zo fantastisch is dat ze het beeld overtreft, zelfs wanneer we de stem horen zonder de beelden, kunnen we echte emotie voelen, los van het feit of de scène nu blij of verdrietig is.”
Fragment uit de Kaizuland-blog over Arabisch dubben

Zoals vele fans zullen getuigen, was de emotionele kracht van de Arabische stemacteurs die verborgen zaten achter de gerecycleerde Japanse animaties, verbazingwekkend. Niet alleen vervulden de acteurs hun antropomorfe plicht tegenover de personages plichtbewust, ze overtroffen hen ook en bliezen extra leven in het scenario. Het niveau van theatraliteit en speelsheid waarmee ze de scènes verrijkten, heeft onze jonge geesten in werking gezet. Het tilde de stem boven het beeld; het leek bijna alsof het beeld niet langer een noodzakelijk deel van de ervaring was. We waren getuige van een nieuw theater van de stem, waarbij het acteren werd losgemaakt van het beeld. Het was magisch, surrealistisch en hartstochtelijk.

De melodramatische aard van de Arabische taal heeft dit effect nog versterkt, vooral omdat er klassiek Arabisch (fus-ha) werd gesproken. Arabisch is een disglossische taal: klassiek Arabisch wordt haast nooit gebruikt in het dagelijkse leven. De reden voor het gebruik van de klassieke woordenschat is waarschijnlijk van educatieve aard, of ingegeven door een utopische visie van Groot-Arabië, waarbij het verhaal kan worden begrepen door eender welk Arabisch kind dat op de zender afstemt. In tegenstelling tot de hedendaagse nasynchronisatie, die gebruik maakt van dialecten om een gevoel van informele intimiteit te creëren, werd door de combinatie van hoogdravend fus-ha en de absurde scènes het gevoel van surrealisme nog versterkt. Voor ons kinderen werd klassiek Arabisch de facto de taal van tekenfilms. “Al-Quraydes Al-Maqley” (gebakken garnalen) zei ik Kabamaru na, wanneer hij zijn blik liet vallen op een heerlijke sushibox. We leerden en herhaalden de woorden opnieuw en opnieuw, alsof we de code van een geheime taal leerden – de taal van robots, ninja’s en prinsessen.

Uiteindelijk waren de tekeningen, de personages en het verhaal allemaal fictie, maar de stemmen waren echt. De stem is een spoor van het menselijk lichaam, een kortstondige projectie van stembanden in de ruimte. De opname maakt het mogelijk dit vluchtige moment opnieuw en opnieuw te laten weerklinken, in echte ruimtes en in gedachten en herinneringen.

De energie in kortstondige mondelinge acties kan dezelfde kracht hebben als een langgerekte beeldpresentatie, ook al blijft die anoniem en onzichtbaar. In mijn kinderlijke fantasie begon ik namen aan deze stemmen te geven. Ik wou de stemmen echt ontmoeten. “Op een dag,” dacht ik bij mezelf, “zal ik de stem van Kabamaru vinden en hem bedanken. Zijn stem was een echte gids voor mij en heeft vorm gegeven aan wie ik ben geworden.”

Bij de tand van de olifant

Toen ik in 2011 in Beiroet ging wonen, voelde het aan alsof de geografische driehoek van mijn leven – Koeweit, Japan, Libanon – nu op de een of andere manier voltooid was. Wat leek op een willekeurige verzameling plaatsen bleek plots een onderlinge verbondenheid te hebben, alsof het lot hen had samengebracht, gekristalliseerd doorheen mijn eigen leven en lichaam. De waarheid is dat ik, gedreven door mijn obsessie over Arabisch gedubde Japanse tekenfilms, in 1999 als zestienjarige naar Tokio was verhuisd en daar tien jaar had gewoond. Met de tijd groeide het besef dat als het niet voor de Arabische stemacteurs was geweest, de tekenfilms wellicht niet zo overtuigend waren geweest en mijn leven misschien helemaal anders zou zijn verlopen. Ik had de originele Japanse reeks bekeken en ze kwam wat dramatische intensiteit betreft niet eens in de buurt van de Arabische versie. Het was een teleurstelling, vooral omdat ik een extreme haat-liefdeverhouding had met het moderne leven in Japan. Ik vroeg me steeds af het wel de juiste beslissing was om er te gaan wonen, of mijn kinderlijke obsessie met deze tweedimensionale Fus-ha sprekende wereld niet voornamelijk een drang om te ontsnappen verhulde. Om te ontsnappen aan onderdrukking, patriarchaat en verveling.

Ik stond als versteend voor Studio Baalbeck in de voorstad van Sin El Fil (letterlijk: De Tand van de Olifant). Vreemde gedachten gingen door mijnhoofd. Ik voelde een drang om een gedicht voor te brengen. In de Arabischeliteratuur is er een vorm van proza die ‘Staand Bij de Ruïnes’ heet enwaarin een melancholische lofrede wordt opgedragen aan de ruïnes dieooit door geliefden werden bewoond. Ik stel me voor dat mijn gedicht alsvolgt zou gaan:

“Er zijn verlaten kamers
In de tand van de olifant
Waar stemmen ooit trots gesproken
Nog steeds weerklinken in mijn oren.”

Waar is William?

Ik stapte in een oude telefooncel in Beiroet met een nummer dat op een klein papiertje stond gekribbeld. Een vriend van een vriend die in de jaren tachtig acteur was geweest, had me verteld dat dit het nummer was van de stem van Kabamaru en schreef het haastig voor me op. Hij zei dat hij al jaren het contact was verloren en dat hij niets met hem te maken wilde hebben. Het leven van Kabamaru was blijkbaar niet zo glamoureus als ik me had voorgesteld: hij was nu een straatarme drugverslaafde zwerver. Zijn echte naam was William. Ik luisterde naar de beltoon, maar er werd niet opgenomen. De volgende dag probeerde ik opnieuw. En de volgende dag. Er werd niet opgenomen. Waar was William?

Ik had van kennissen gehoord dat vele acteurs uit die generatie nu in erbarmelijke omstandigheden leefden. Sommigen hadden zelfs helemaal niets meer met acteren of het theater te maken. Het stemde me droef dat de mensen die ons ooit zo veel kleurrijke dromen had gegeven – en al doende misschien wel hun leven hadden geriskeerd – nu in ellendige omstandigheden leefden. Ze waren nooit geëerd of gewaardeerd voor hun stembijdragen aan de samenleving; hun mondelinge passies werden nooit geprezen of bekroond.

Deze tragische omstandigheden deden me twijfelen aan mijn zoektocht naar William. Als ik hem eindelijk zou ontmoeten, zouden mijn schitterende dromen misschien kapotgeslagen worden. Ik troostte me met de gedachte dat ik hem niet zou vinden. Het was alsof ik op zoek was naar een geest. Ik probeerde te vergeten wat ik over zijn moeilijke leven had opgevangen. Hij was een geest geworden die ik in het echt nooit zou zien verschijnen.

Op de een of andere manier maakte de stem van Kabamaru die staat te huilen voor een kom noedels me tevreden. Ze verbeeldt een werkelijkheid waarin kunstenaars bestaan als vluchtige wezens, als engelen die voor altijd voortleven in ons geheugen.

Monira Al Qadiri

Back to top

Monira Al Qadiri (1983) is een Koeweitse beeldende kunstenares. Ze werd geboren in Senegal en studeerde in Japan. In 2010 behaalde ze een doctoraat in intermediakunst aan de kunstuniversiteit van Tokyo met een onderzoek rond de esthetiek van droefheid in het Midden-Oosten doorheen poëzie, muziek, kunst en religieuze praktijken. Haar werk verkent onconventionele genderidentiteiten, petroculturen en hun mogelijke toekomst en de erfenis van corruptie. Ze maakt ook deel uit van het kunstenaarscollectief GCC.

Back to top