El adolescente

De Kriekelaar

21.22.23/05 > 20:00
24/05 > 18:00
Esp > Sous-titres: Fr & Nl

De jonge auteur en regisseur Federico León was in 2001 al eens te gast op het KunstenFESTIVALdesArts. Twee jaar later is hij opnieuw in Brussel, nu voor de creatie en wereldpremière van El adolescente.

‘Voor het eerst werk ik met een tekst die ik niet zelf schreef. Ik baseer me op fragmenten uit romans van Dostojevski… al meer dan zeven jaar maak ik aantekeningen. Wat me het meest intrigeert zijn de adolescente trekken die ik in zijn personages terugvind. Niet hun verhaal, maar wel de puberale koortsachtigheid die ze uitademen, in woord en beweging. Hun taal wordt muziek, een polyfonie van stemmen.’

Dramaturgie & Regie:

Federico León

Regie-assistente:

Tatiana Saphir

Muziek:

Carmen Baliero & "El adolescente".

Acteurs:

Julián Tello, Emanuel Torres, Ignacio Rogers, Miguel Angel Olivera, Germán De Silva
Scenografie, Objecten & Toneelmeester: Ariel Vaccaro

Lichtontwerp:

Alejandro Le Roux

Fysische training:

Mayra Bonard

Kleding:

Gabriela Fernandez

Productie:

Complejo Teatral Buenos Aires

Uitvoerend Producent:

León - Saphir

Coproductie:

Festival d'automne à Paris, Holland Festival (Amsterdam), Hebbel Theater (Berlin), Theatre Garonne, KunstenFESTIVALdesArts

Presentatie:

De Kriekelaar, KunstenFESTIVALdesArts

Back to top

‘Een toneelstuk moet volgens mij op organische wijze opgebouwd worden. De verschillende processen zijn lang en onvoorspelbaar want alles moet op elk ogenblik vatbaar zijn voor wijzigingen. Alles moet ook worden gefilterd, wat gebeurt door acteurs en regisseur tijdens de repetities.

Ook research is voor mij heel belangrijk. Wat ik eigenlijk kies, is het proces dat ik wil ondergaan en niet op de eerste plaats een bepaalde tekst of acteurs. Het stuk is altijd een weerspiegeling van dit proces, terwijl het proces dan weer duidelijk maakt hoe het stuk tot stand kwam.

Ik breng intiem theater. Het speelt zich af in kleine ruimtes, voor een klein publiek. Nabijheid is cruciaal. De toeschouwer moet het gevoel hebben dat hij bijna deel uitmaakt van de scène, dat er een wisselwerking ontstaat tussen acteurs en publiek. De toeschouwer moet beseffen dat wat hij ziet, op dat eigenste ogenblik aan het gebeuren is, en zich wellicht nooit meer zal voordoen.

Anderzijds streef ik ernaar dat mijn werk ‘stil’ is, wat de toeschouwer verplicht dichterbij te komen en een inspanning te doen om toegang te vinden tot wat hij ziet. Dit is iets wat niet of nauwelijks gebeurt in grote zalen, waar de toeschouwer volledig van de scène afgescheiden wordt en niet aan deze wisselwerking kan deelnemen. Het stuk wordt er op de toeschouwers losgelaten. Ze moeten geen enkele inspanning leveren want het werk wordt hen volledig voorgeschoteld.

En aangezien ik vind dat een acteur als het ware moet wegglijden en zijn weg moet vinden in onverwachte situaties, is het aan de regisseur om zichzelf constant te observeren, tegen zijn eigen tendensen in te gaan en een actieve wisselwerking teweeg te brengen met acteurs, assistenten, decorbouwer, mensen van de belichting, musici, enz.

Het is voor het eerst dat ik werk met een tekst die niet van mij is.

El adolescente is gebaseerd op aantekeningen van de laatste zeven jaar bij fragmenten uit romans van Dostojevski, namelijk Boze Geesten, De Gebroeders Karamazow, De Jongeling, De Idioot, De Vernederden en Gekrenkten, De eeuwige Echtgenoot en De Dubbelganger enerzijds, en improvisatiewerk met de acteurs anderzijds.

Het stuk toont twee volwassenen die infiltreren tussen de jongeren en koste wat het kost hun jeugd willen terugwinnen. Voor de ogen van de anderen stellen ze zichzelf op de proef om deze ‘staat van genade’ van de puberteit terug te winnen, die energie die hen opnieuw doet zweten, hen opnieuw in iets doet geloven, het uit de bol gaan, het verliefd worden.

Het is een tweede puberteit, op artificiële manier herwonnen.

Het was niet mijn bedoeling om Dostojevski’s verhalen te reproduceren – wel om me te baseren op zijn werkwijze, zijn poëzie, en dus zijn manier van opbouwen.

De polyfonie van autonome stemmen en onafhankelijke gewetens is één van de fundamentele kenmerken van Dostojevski’s romans. Dat concept van polyfonie vertaalt zich in onze manier van opbouwen. Ik stel een tekst voor en die tekst wordt beleefd door verschillende acteurs van verschillende leeftijden, elk met hun eigen acteerstijl en hun eigen manier van denken. We zijn geen gezelschap. We hebben niet één enkele, gemeenschappelijke kijk op het theater. Die verscheidenheid, die polyfonie, doet een cocktail ontstaan van mijn eerste benadering die vermengd wordt met en vernieuwd wordt door de inbreng van de acteurs.

Dostojevski’s personages gedragen zich als onrijpe pubers die constant op zoek zijn naar de confrontatie, die zichzelf op de proef stellen en zich voorbereiden op de grote stap in de wereld.

Een ander fundamenteel kenmerk is dat ze zich meester maken van de roman: zij zijn het, die de roman schrijven. De drijfveer van Dostojevski’s romans is datgene wat de personages overkomt, veeleer dan het verhaal zelf. Het verhaal is ondergeschikt aan de wispelturigheid, of liever, aan de logica van de personages. Dostojevski’s project bestaat er grotendeels in zich te camoufleren, zich te verbergen, met hen te versmelten.

Al deze strategieën vloeien samen in de idee een ‘nu’ te creëren, het ‘nu’ van de roman (het gevoel dat de personages gaandeweg vorm krijgen en dat de lezer daar getuige van is). Hetzelfde ‘nu’ wil ik terugvinden in het theater.

Voor mij staat het schrijven niet los van het regisseerwerk. Ik schrijf altijd voor mezelf en wat ik schrijf, leunt altijd heel nauw aan bij wat op het podium gebeurt. Ik schrijf mijn theaterstukken in functie van de acteurs, hun mogelijkheden en hun beperkingen.

De laatste jaren is het theater van bij ons zich gaan verschuilen achter de idee dat God niet bestaat – cynisme alom. Ik denk dat opnieuw gaan geloven, opnieuw voor een bepaalde idee opkomen, hoe klein ook, veel gewaagder is.

In principe geloof ik in de macht van het acteren. Ik geloof dat een werk in staat kan zijn iemand van zijn stuk te brengen. Die medeplichtige knipoog naar de toeschouwer is een leeg gebaar. En Godot moet zijn intrede doen. Ik zie nog altijd een werk voor me over een trein die nooit komt en waar we zitten te praten, terwijl God niet bestaat. Ik kan me eender wat permitteren, ik kan naar mezelf kijken en het enige wat mij interesseert is dat mijn werk gelezen wordt, want ik heb het geschreven. En dan begint men dingen te maken voor een handvol enkelingen, voor zichzelf. Vandaag de dag is het moeilijk een stelling in stand te houden die morgen niet instort. Maar ik geloof in het acteerwerk, ik geloof dat er iets gebeurt tussen toeschouwer en acteurs, dat er iets beweegt.

Van groot belang is het werk na de voorstelling: het is belangrijk de relatie te bestuderen tussen het publiek en het stuk, en hoe deze relatie gekneed wordt door de verschillende impressies van het stuk.

Anderzijds werk ik graag met elementen die, bij herhaling, een zeker risico inhouden.

Het doel is een gecontroleerde chaos op te bouwen – een wereld van oncontroleerbare elementen – de logica erin te vinden en te herhalen. Ogenschijnlijk ongrijpbare toestanden teweeg te brengen binnenin een hypergecontroleerde structuur. Een hond doen acteren die voortdurend hetzelfde moet herhalen, en anderzijds een wereld scheppen waar het mogelijk is te vergeten dat er een hond is. Dat die hond fictie wordt; dat hij ophoudt een hond te zijn en, in de plaats daarvan, ‘de hond in het stuk’ wordt.

Vóór ik van start ga met de repetities van een stuk vraag ik me niet af wat ik zal vertellen of wat ik wil zeggen. Ik repeteer in Buenos Aires en ik maak in levende lijve mee wat in Buenos Aires reilt en zeilt; ik produceer van daaruit. Het is een land waar de regels elke dag opnieuw veranderen, niets is voorspelbaar. Hetzelfde gebeurt tijdens een creatief proces.

Ondanks de huidige situatie, gebeurt er heel wat op het vlak van theater en film. Nog steeds willen we samen nieuwe stukken instuderen, ook al weet niemand waar we ze zullen opvoeren.

Bij gebrek aan een degelijk artistiek programma, veelal te wijten aan gebrek aan geld, doen heel wat alternatieve voorstellen hun intrede.’

Federico León, maart - april 2003

Back to top