Disgrace

Théâtre National

24, 25, 26/05 - 20:30

HUN>NL/FR
±2h

Disgrace beschrijft de val en aftakeling van David Lurie, een blanke literatuur-professor aan de universiteit van Kaapstad. Ontslagen om ongewenste intimiteiten ontvlucht hij de stad en trekt in bij zijn dochter Lucy, in het Zuid-Afrikaanse hinterland. Een gewelddadige overval met verkrachting door zwarten uit de buurt transformeert de plek in een troosteloze hel. Lucy blijkt zwanger te zijn en de voormalige professor ziet zijn hoop op een veilige haven in duigen vallen. Kornél Mundruczó transponeert deze postapartheidsroman van nobelprijswinnaar J.M. Coetzee van Zuid-Afrika naar Hongarije. In zijn ongenadig realistische theater wordt het een metafoor voor de angsten van Europa dat geconfronteerd wordt met radicale veranderingen. De ondergang van David symboliseert het einde van de suprematie van de blanke man, die zich op zijn beurt – na een eeuwendurende dominantie – gekoloniseerd ziet. Na The Frankenstein-project en Hard To Be A God tekent Mundruczó opnieuw voor een in vitriool gedoopte pamflet tegen haat en uitsluiting.

Concept & regie
Kornél Mundruczó

Muziek
János Szemenyei

Dramaturgie
Viktória Petrányi

Artistieke medewerking
Yvette Bíró

Set & kostuums
Márton Ágh

Productieleiding
Dóra Büki

Productieassistentie
Zsófia Csató

Technische leiding & licht
András Éltető

Met
Annamária Láng, Lili Monori, Kata Wéber, Gergely Bánki, János Derzsi, László Katona, Roland Rába, János Szemenyei, B. Miklós Székely, Sándor Zsótér

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Théâtre National de la Communauté française


Productie
Kunstenfestivaldesarts, Wiener Festwochen, Proton Cinema + Theatre (Boedapest), Festival d’Avignon, Trafó – House of Contemporary Arts (Boedapest), Malta Festival (Poznań), Hebbel am Ufer (Berlijn), Romaeuropa Festival 2012

Boventiteling met de steun van
ONDA

Gecreëerd in Wenen in mei 2012

Uitvoeringsrechten
© J.M. Coetzee, 1999

Back to top

Blijven of gaan, vernedering en onafhankelijkheid
Kornél Mundruczó in gesprek met Matthias Pees over Disgrace

Matthias Pees: Nadat je je zo lang in Coetzees roman Disgrace hebt verdiept, wat is nu volgens jou zijn kern?

Kornél Mundruczó: Ik heb vooral meer en meer het gevoel gekregen dat het een roman is over ons. Over ons Europeanen, ons Hongaren. Dat vreesde ik eigenlijk zes jaar geleden al, toen ik hem voor het eerst las. Het was überhaupt geweldig om met een roman te kunnen werken. Mijn laatste werk van die aard was Vladimir Sorokins Ljod (IJs), ook daar hebben mijn wereld en die van de roman elkaar op zo’n manier getroffen. Coetzee was een al even grote ontdekking voor mij, want de roman heeft me heel veel gegeven zonder dat ik mezelf moest wegcijferen. Voor mij bevestigt dit dat men zich met contradicties mag bezighouden. Dat die contradictie de betekenis zelf is. Want Disgrace is natuurlijk geen story, het interessante ligt niet in de handeling. En toch zijn er in het boek twee belangrijke verhalen: het ene is dat van een blanke man en zijn neergang, het verhaal van zijn reis naar de afgrond. Het andere is het verhaal van de herindeling van het land. Dit is een ontwikkeling die ook wij goed kunnen begrijpen.

MP: Kan men daarbij spreken van een omkering van de koloniale machts- en eigendomsverhoudingen? Worden wij, de voormalige koloniale meesters van de wereld, vanaf nu gekoloniseerd?

KM: Ja. Het bevalt me erg dat Coetzee weliswaar nooit rechtstreeks kritiek levert op onze Europese cultuur en samenleving, maar dat we, geconfronteerd met zijn beschrijvingen, wel moeten toegeven dat de kolonisatie – machtsuitoefening en uitbuiting dus – uiteindelijk het enige is, de enige impuls schijnt geweest te zijn, die van de blanken is uitgegaan of is overgebleven.

MP:In je Disgrace-enscenering zijn er geen zwarte acteurs, ook geen zwart geschminkte acteurs. Welke rol spelen huidskleur en racisme in deze wereldwijde sociale en cultuurhistorische vraag naar bezit en heerschappij?

KM:We leven in een blank land in het midden van Europa. Mijn idee van Zuid-Afrika is dus een pure fantasiewereld. Alle blanke naties en gemeenschappen hebben hun eigen zwarten. En elke zwarte samenleving heeft zijn blanken. Voor mij is dat een absoluut abstracte situatie van het menselijk bestaan, en dus uiteindelijk een kwestie van de macht van de mens over de mens, en wat voor soort dier de mens zelf is. Tenslotte gaat mijn voorstelling precies over dit animalistische gevolg van racisme.

MP: Je theaterstukken drijven de vraag naar de conditio humana radicaal op de spits en stellen tegelijk vragen bij de toestand van ons humanisme. Hoe zit het met ons recht op een waardig leven, met de menselijke waardigheid in de werkelijkheid? Is het theater een katalysator om de extreme degradatie en vernedering te verduren, omdat een acteur ook na de ergste scènes en situaties kan opstaan, de toeschouwer in de ogen kan kijken en een lied kan zingen?

KM: Het gaat er mij om het intellectuele bloot te leggen, de naakte geest te tonen. Daartoe heb ik gestes nodig die zeer dichtbij komen, die in het theater misschien ongebruikelijk zijn en voor sommigen zelfs ondraaglijk. Een andere activiteit en collectiviteit. Zodat het theater niet alleen een plek is om na te denken, maar om werkelijk te beleven, te ervaren. En dat gaat alleen via de existentie van mensen. In de grond is mijn theaterwerk in zijn geheel, als project, dus romantisch. Niet in een sentimentele zin, maar in die zin dat alles ontstaat uit een letsel, uit pijn.

We hebben veel ervaring met vernedering. Ik denk dat de enige manier om onze waardigheid te bewaren, de onafhankelijkheid is. Als men je onafhankelijkheid afneemt, dan is het moeilijk om waardig te blijven, een vrij mens te zijn. Daarom functioneert deze theatergroep zo goed. Want dat ben ik niet, het is de groep die erin slaagt ondanks enorme moeilijkheden haar onafhankelijkheid te bewaren. Het zijn allemaal onafhankelijke mensen, ofschoon de helft op dit moment geen job heeft. De voorstelling draait ook om het feit dat ze allemaal vrij zijn. In de laatste scène worden de honden aan het publiek verkocht. Iedere hond, zo wordt verteld, komt uit een andere Hongaarse stad: dat zijn steden waar de acteurs geboren zijn.

MP:Is de reden voor de extreme politieke en maatschappelijke situatie in Hongarije, de rechtse en extreemrechtse meerderheid, dan tegelijk dat het gaat om een roep om onafhankelijkheid, naar anders-willen-zijn, zelfs als dat ‘anders’ afstotelijk is?

KM: Uit elke vernedering ontstaat extremisme. De Duitsers hebben dat in de 20ste eeuw ondervonden. Ook Hongarije werd in de loop van zijn geschiedenis vaak vernederd. Ik denk dat men zich in Hongarije erg goed kan identificeren met de figuur van Lucy. In het begin vond ik haar beslissing – haar verkrachter niet aan te geven, haar zwangerschap niet af te breken en de plaats van de misdaad, haar land niet te verlaten, maar zich te onderwerpen aan de nieuwe omstandigheden – totaal absurd. Maar nu niet meer. De vraag van gaan of blijven is voor mij een heel Hongaarse vraag. Er is geen rationele verklaring om te blijven, dat besluit komt helemaal van ergens anders. Mensen hebben over het algemeen zeer zelden antwoorden, ze geraken gewoonweg niet zo ver. Lucy op zich is een antwoord.

Ik heb het gevoel dat ik nog nooit zo’n Hongaars stuk heb gemaakt, hoewel mijn basismateriaal, in dit geval Coetzees roman, zich nog nooit zo ver van Hongarije afspeelde. In eerste instantie leek het me heel ver weg, compleet vreemd. Maar hoe meer we met de tekst bezig waren, hoe meer ik me erover verbaasde dat die vragen zo dicht op mijn huid zaten. Het gaat over ons. Het is veel Hongaarser dan Ljod, Frankenstein-project en Het is niet gemakkelijk om een God te zijn. Er zijn momenteel grote verschuivingen op de politieke kaart en ik ben benieuwd hoe actueel de kwestie van de herindeling zal zijn.

**

De in 1999 gepubliceerde roman Disgrace van de in Kaapstad geboren J.M. Coetzee speelt zich af in Zuid-Afrika, na het einde van de apartheid. De blanke hoogleraar David Lurie verliest zijn positie wegens een liefdesaffaire met een van zijn studenten. Hij rijdt naar zijn lesbische dochter Lucy die op een kleine boerderij op het platteland woont. Kort daarna wordt Lucy echter verkracht en zwanger gemaakt door zwarten, zonder dat David in staat was haar te helpen. Hoewel de daders niet vervolgd worden en niemand Lucy’s veiligheid kan garanderen, besluit ze, tegen het verzet van haar vader in, haar huis en het gebied waar ze woont niet te verlaten. Coetzee won de Man Booker Prize in 1999 met Disgrace en kreeg in 2003 de Nobelprijs voor de Literatuur. Hij heeft Zuid-Afrika verlaten en woont nu in Australië.

Back to top

Kornél Mundruczó werd in 1975 geboren in Hongarije. Hij studeerde aan de Hongaarse Universiteit voor Film en Drama en is nu een bekende Europese filmregisseur wier films in première gaan op de meest prestigieuze festivals ter wereld. Hij regisseerde zijn kortfilm AFTA kort nadat hij afgestudeerd was en ontving er talrijke internationale prijzen voor. Pleasant Days ., zijn eerste langspeelfilm, kreeg in 2002 in Locarno het Zilveren Luipaard voor beste eerste en tweede film. Hij won een Cannes-residentie in 2003. Zijn tweede langspeelfilm, Johanna - een opera-adaptatie van het verhaal van Jeanne d'Arc - werd in 2005 voorgesteld op Un Certain Regard. Zijn derde langspeelfilm, Delta , werd bekroond met de FIPRESCI-prijs van de critici in 2008. Zijn tot nog toe laatste film Tender Son werd vertoond in de officiële selectie van Cannes 2010. Sinds enkele jaren werkt Mundruczó voor het theater, onder andere met het Krétakörtheater, het Nationale Theater van Hongarije, het Thaliatheater in Hamburg en Schauspiel Hannover, maar eigenlijk altijd wanneer een onderwerp, een groep of een speelplek hem inspireert. Tijdens het werkproces tracht hij een team op te bouwen en eindigt hij vaak met het uitnodigen van dezelfde acteurs, die creatieve partners worden. Met hen ontwerpt hij de producties. Hij is geen officieel lid van een theater en werkt meestal op commissiebasis.

Back to top