danse de nuit

€ 18 / € 14
1h
FR

Voorstelling in openlucht
Zonder zitplaatsen

Boris Charmatz en zijn dansers breken los uit de theaterzaal. Het werk van de Franse choreograaf ging altijd al over de wereld, maar nu trekt hij ook echt de broze betonnen werkelijkheid van Brussel in. danse de nuit is een nachtelijke uitbarsting van gedanste en gesproken impressies. Afwisselend in groep en ieder voor zich proberen de dansers onze wereld vandaag onder woorden te brengen. Ze willen zich de publieke ruimte weer toe-eigenen en verslag doen van de werkelijkheid, onze werkelijkheid. Met de intensiteit van straatdans, de kracht van burgerprotest en het plezier van een openluchtconcert wordt de toeschouwer in beweging gebracht, meegesleurd in de kolkende bewegingen van de groep. De dansers zijn guerrillastrijders, de beweging en de taal zijn hun buskruit. danse de nuit schiet met scherp. Het klopt de duistere hartslag van onze angstige wereld.

Uitvoering
Ashley Chen, Boris Charmatz, Olga Dukhovnaya, Julien Gallée-Ferré, Jolie Ngemi, Marlène Saldana

Choreografie
Boris Charmatz

Lichtontwerp
Yves Godin

Lichtdragers Brussel
Renaud Cagna, Julia Stehling, Christophe Jaccard, Chamsedine Madec

Kostuums
Jean-Paul Lespagnard

Stemcoach
Dalila Khatir

Toneelmeester
Mathieu Morel

Belichting
Mélissandre Halbert

Kleedster
Marion Régnier

Repetitor
Magali Caillet-Gajan

Productieleiding
Sandra Neuveut, Martina Hochmuth, Amélie-Anne Chapelain

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts

Productie
Musée de la danse/Centre chorégraphique national de Rennes et de Bretagne

Met de steun van
Fondation d’entreprise Hermès, in het kader van het programma New Settings

Coproductie
Théâtre National de Bretagne-Rennes, Théâtre de la Ville & Festival d’Automne à Paris, La Bâtie-Festival de Genève, Holland Festival (Amsterdam), Kampnagel (Hamburg), Sadler’s Wells (Londen), Taipei Performing Arts Center, Onassis Cultural Center (Athene)

Voorstelling in Brussel met de steun van
Institut français & Ambassade de France en Belgique in het kader van EXTRA

Met dank aan
Le Triangle-cité de la danse, Rosas, WIELS (Brussel), Arnaud Godest, Peggy Grelat-Dupont, Perig Menez, Mani Mungai, Frank Willens

Back to top

danse de nuit

Wat doen die dansers daarbuiten, op het beton en in het lawaai van de stad? Moeten ze niet op een podium staan, in een theater, beschut tegen de wind, de regen en de kou? En wat is dat voor iets, een ‘nachtelijke dans’? Een feest, een stoet, een betoging, een dansbattle in de nacht? Een bewakingsronde misschien, of een steelse dans ver van de schijnwerpers? Een danse de nuit is het tegenovergestelde van een danse de jour: een verborgen, clandestiene dans, een uitzondering op de regel. Na de trilogie Levée des conflits enfant manger, een geheel van gelaagde, groots uitgewerkte choreografieën, keert Boris Charmatz terug naar een compacte vorm waar dans, woord en beweging tot een compact en intens geheel versmelten, en die schatplichtig is aan de streetdance maar er tegelijk de regels van herschrijft. Het onderzoek van Boris Charmatz naar de raakvlakken tussen beweging en stem krijgt in danse de nuit een vervolg. Deze keer sluit hij sprekende lichamen aan op een versterker, die zo een directe impact hebben op de buitenwereld en als het ware een danscommando vormen dat aan de grens van de openbare ruimte opereert en er de grenzen en tegenstrijdigheden van aftast. Afwisselend in groep en individueel proberen de dansers iets van onze huidige situatie uit te drukken en brengen ze hun lichamen in een soort staat van paraatheid. Ze staan klaar om indrukken en tekstflarden te verspreiden, ook al riskeren ze een rookgordijn op te trekken en misverstanden te creëren. Ze staan klaar om de openbare ruimte te heroveren op de macht van de staat. danse de nuit bevindt zich ergens tussen agôn en agonie, tussen een lijkrede en een discours vol tegenstrijdigheden, tussen wilde remix en vergankelijke dans. Het is als een snel neergekrabbelde tekening of een onafgewerkte tag op een muur, waarvan de boodschap nagalmt in de nacht.

Gesprek met Boris Charmatz

De openbare ruimte wordt beheerst door twee gepolariseerde bewegingen: die van inbeslagneming en de tegenreactie van herovering. Het spanningsveld is brandend actueel en komt bijvoorbeeld tot uiting in het initiatief Nuit debout. Heb je het gevoel dat de voorstelling aanknoopt met de tijdsgeest?
Zeker. De vraag die in deze voorstelling centraat staat, is of we de openbare ruimte kunnen innemen of ze ons opnieuw kunnen toe-eigenen. Ik voel daarnaast echter ook een andere behoefte, die zowel dicht bij die bezorgdheid aanleunt als er ver van afstaat. Het gaat om een zuiver artistiek en choreografisch verlangen om de massa te doen dansen en in beweging te brengen. De expressieruimte die ik creëer, heeft veel weg van een protestmars maar ademt ook een heel eigen dimensie, die te maken heeft met fictie, poëzie en lichamelijkheid. danse de nuit bevindt zich op de kruising van al die dimensies. Dat de dansers buiten de theaterzaal dansen, is op zich geen nieuw gegeven: ik heb eerder al voorstellingen in de open lucht gemaakt, zoals Ouvrée en Bocal. Toch gaat het hier niet louter om een openluchtvoorstelling, maar vooral om het voordragen van een standpunt waarbij we ons zichtbaar opstellen. Er is een beeld uit mijn kindertijd in Chambéry dat me enorm is bijgebleven: dat van de repetities van choreograaf Daniel Larrieu op het binnenplein van het Palais-Royal, waar het Franse ministerie van cultuur gevestigd is, om meer repetitieruimte te eisen. Ons doel is niet zozeer om meer werkruimte te krijgen, maar om de straat als een mogelijk artistiek podium in te nemen. Ook het beton heeft een invloed op onze dans, die ruwer wordt, vuiler ook. Op straat dansen gaat gepaard met een verlies aan zuiverheid en verfijning, om op het terrein aanwezig te kunnen zijn.

In je werk schuilt altijd een dimensie van verhindering of beperking – zoals wanneer een danser een bewegingloos kind in de armen draagt, of wanneer hij in volle actie eet of zingt… In dit geval is het niet het lichaam van de danser dat beperkt wordt. Het is de omgeving waarin hij terechtkomt, die zijn bewegingsruimte beperkt.
Ja, dat is zo. Mijn vertrekpunt is om een stedelijke choreografie tot stand te brengen, een soort straatdans waarin de codes van de streetdance niet letterlijk terug te vinden zijn. Kan je dansen op een parking? Welke behendigheid heb je daarvoor nodig? Ik heb geen hiphopbattle voor ogen, noch een vorm van straattheater of een openluchtvoorstelling. De bijzondere omstandigheden waarin de voorstelling tot stand komt, creëren een totaal nieuwe situatie die de dans uit evenwicht brengt. Soms repeteren we overdag, maar dan missen we de onbestemdheid en de vluchtigheid die onlosmakelijk met het project verbonden zijn. Daar komen nog snelle schetsen bij, karikaturen van wat er zich tijdens de voorstelling afspeelt. Dat alles zorgt voor een eerdere grimmige sfeer, alsof we op de rand van de afgrond balanceren.

De titel roept twee elementen op. De nacht verwijst naar het fantastische en bevreemdende, maar daarnaast is er ook het revolutionaire gegeven van een of ander geheim commando…
De nacht en de stad brengen een zekere esthetiek met zich mee, een esthetiek die verandert naargelang van de stad waar we spelen – we zijn immers een nomadisch gezelschap. Elementen als straatverlichting en weersomstandigheden zullen voor variatie zorgen. Voor danse de nuit werken we samen met modeontwerper Jean-Paul Lespagnard. Wellicht zal zijn aanpak aansluiten bij die van Yves Godin voor de belichting: het geheel moet moduleerbaar zijn, als een soort kit. Yves ontwerpt momenteel een draagbaar lichtsysteem. Jean-Paul werkt aan een draagbare vestiaire, met verschillende soorten kostuums in een carnavaleske stijl: onze nachtelijke dans wordt ondergedompeld in de wereld van het fantastische en de maskerade. Aangezien we de voorstelling ‘s nachts spelen, is het de bedoeling om silhouetten te creëren: de lichamen van de dansers moeten duidelijk afgelijnd en herkenbaar zijn, ondanks de onstabiele verlichting en de nabijheid van het publiek. De spookachtige sfeer zal door de kostuums onderstreept worden. Misschien krijgen we wel met vreemde verschijningen te maken… Een van de oefeningen die we regelmatig doen, is om zomaar wat te bewegen terwijl je om het even wat uitkraamt. Carnaval is een moment waarop het gebruikelijke waardepatroon op zijn kop staat: alles mag gezegd worden, ook al slaat het nergens op. Wanneer je ‘zomaar wat beweegt’, ontstaan er pareltjes maar moet je ook veel weggooien. Eigenlijk heb ik altijd op die manier gewerkt, maar in deze productie komt daar nog het aspect van de mateloosheid bij: een overmaat aan gebaren, aan woorden en vormen.

Hoe zit de choreografische structuur in elkaar? Bewegen de zes dansers als een hechte ‘massa’ of heb je ook solo’s en duo’s geschreven?
Aanvankelijk is het materiaal als verzameling van solo’s opgevat. Het is als een woordenschat van snelle bewegingen die de dansers aan elkaar doorgeven. Ook de teksten zijn aanvankelijk solo’s die vervolgens naar een unisono evolueren. Bij het maken van de film gingen we op zoek naar een erg lichamelijke taal, met een minimale afstand tussen de dansers. In de repetities zijn we daar nog maar pas mee begonnen. Wellicht zal deze groepsdynamiek een belangrijke plaats krijgen in de voorstelling, maar voorlopig is dat aspect nog wat vaag … Ik weet enkel dat ik een trager deel zou willen inlassen, met meer contact, als tegengewicht voor het flitsende solomateriaal. Aanvankelijk vertrokken we van een waaier aan parameters: snelle dans, dans op beton, tekst, voedsel, ingrepen in de belichting… Nu is het materiaal zich aan het bundelen rond tekstfragmenten en snelle straatdans.

Voor deze voorstelling werk je opnieuw met een kleinere bezetting. Vormen je drie vorige choreografieën (Levée des conflits, enfant en manger) een eenheid? Geef je met danse de nuit misschien de aanzet tot een nieuwe cyclus?
Ik zie nog veel gelijkenissen tussen danse de nuit en manger – meer dan ik zou willen overigens! In manger staan vooral de stem en de muziek centraal. In danse de nuitwordt de stem ingezet voor het uitspreken van teksten – alsof woorden de plaats hebben ingenomen van zang en melodie. In danse de nuit komt de dans eerst, terwijl hij in manger een minder belangrijke rol speelt. manger draait rond drie elementen – eten, bewegen en zingen – die geheel in elkaar verweven zitten en dus eigenlijk afhankelijk zijn van elkaar. In danse de nuit ga ik er daarentegen van uit dat de dans op zichzelf kan bestaan. Ook de tekst trouwens. Het zijn twee lagen die op elkaar worden gestapeld maar elkaar niet echt aanvullen. Na danse de nuit wil ik een grote vorm creëren met de titel 10000 gestes, die weer eerder bij Levée des conflits zal aanleunen. De idee van een choreografische megastructuur blijft me bezighouden. Het is inderdaad zo dat Levée des conflits, enfant en manger een geheel vormen, een soort trilogie. Met danse de nuit keer ik terug naar de gebalde, erg fysieke energie van voorstellingen als Aatt enen tionon of Quintette cercle.

Muziek en tekst vergen elk een andere aandacht. Voor een tekst heb je bijvoorbeeld meer ‘concentratie’ nodig. Hoe wil je parameters als ‘snelheid’ en ‘begrip’ met elkaar combineren?
In muziek kan je je helemaal onderdompelen. Muziek brengt je onmiddellijk in een bepaalde sfeer. Bij tekst is de overdracht veel belangrijker, zeker in de openbare ruimte. Wat wordt er gezegd? Hoe wordt het gezegd? Tegen wie? Tekst is moeilijker te hanteren dan muziek, zeker in combinatie met dans. Ik zou met verschillende niveaus van verstaanbaarheid willen werken. Wanneer is het belangrijk begrepen te worden? Wanneer gaat de stem verloren? We repeteren opnieuw met Dalila Khatir, op wie ik eerder een beroep deed voor manger. Ze is een geschoolde zangeres maar ze heeft ook veel ervaring met het theater en is vertrouwd met gesproken tekst. Vandaag hebben we haar inbreng nodig voor onze zoektocht naar de verschillende niveaus van verstaanbaarheid. Wat horen we en hoe horen we dat? Soms prevelen de dansers, vallen ze in herhaling, bespelen ze nieuwe registers. Maar globaal gezien blijft het de bedoeling verstaanbaar te zijn, om via de tekst een boodschap door te geven. Dat is niet evident, want zodra je je aandacht niet langer op de tekst richt, is het heel goed mogelijk dat die aandacht helemaal verdwijnt. Dat risico wil ik nemen, het risico dat je afhaakt. De snelle woordenstroom maakt dat risico alleen maar groter, maar is nodig om de urgentie van de boodschap uit te drukken.

Er zitten ook tekeningen in de voorstelling, als een rode draad en een verwijzing naar de aanslag op Charlie Hebdo. Hoe is dat thema in de voorstelling geslopen?
Ik heb veel nagedacht over het werk van kunstenaars – veelal Amerikanen – in de nasleep van 11 september. Ik heb het gevoel dat het voor hen onmogelijk was om aan de geschiedenis te ontsnappen. Ze konden gewoonweg niet anders dan wat gebeurd was het hoofd te bieden. Bewust of onbewust was het eenieders bewustzijn binnengedrongen. In onze openbare ruimte zijn nog steeds talloze veiligheidsmaatregelen van kracht die de herinnering aan de aanslagen levend houden. Tegelijk begeef je je op glad ijs wanneer je het onderwerp aansnijdt. Al gauw wordt je creatie gezien als navelstaarderij, een gedenkteken dat louter de gevoelens bespeelt. Maar nogmaals, het lijkt me onmogelijk eraan te ontsnappen. Je denkt eraan, of je het wilt of niet, de dansers denken eraan en ook de toeschouwers zullen eraan denken. We kunnen niet anders dan er iets mee te doen. Snelheid is een mogelijke manier om de zaak aan te pakken. Snelheid en overdaad: overdrijven met woorden, met informatie, ook die over Charlie Hebdo, de tekeningen, de dood. Maar we doen meer dan dat. We bekijken de zaak vanuit een andere invalshoek, vanuit het gegeven van de karikatuur, de korte levensduur van een tekening. We hebben het trouwens even vaak over Reiser – die aan kanker is gestorven – dan over Charb of Cabu. Bij de teksten zitten heel verschillende fragmenten – ik weet niet of ik het er al over mag hebben, aangezien onze keuze nog niet vastligt. Naar mijn gevoel is het dankzij de snelheid dat alles tegen elkaar zal gaan opbotsen en alle stukjes aan elkaar geregen zullen worden. In manger zijn we erin geslaagd om Josquin Desprez, Beethoven en Christophe Tarkos in elkaar te laten overgaan, met een heleboel klankovergangen en harmonische verschuivingen tussen de muziek in. Hier volstaat een woord om het discours te wijzigen en in een andere soort vertelling te glijden.

Snelheid is dus echt de motor van de voorstelling.
Ja, niet alleen de motor maar ook de parameter die de dans moeilijk maakt, die het risico inhoudt niet begrepen te worden. In de teksten zelf zit een grote urgentie, een strijd zelfs. Dat uit zich ook in de manier waarop we de teksten uitspreken. Zowel de dans als het tekstmateriaal zijn opgebouwd volgens de as snelheid/verstaanbaarheid. Hoe sneller we bewegen, hoe minder duidelijk de dans zich aftekent. Het is een hele uitdaging om een beweging die erg snel gaat, verstaanbaar over te brengen. Het doel is dat de beweging even snel als verstaanbaar is, dat ze begint te zinderen. Ik zou willen dat de dans als een deeltjesversneller op je afkomt! We zoeken naar strategieën om op alle snelheden verstaanbaar te blijven. Herhaling is een mogelijke strategie: ter plaatse trappelen, niet vooruitkomen, tot er spontaan een nieuw idee opborrelt en er weer vaart komt in het geheel.

Op alle niveaus ruimte, tekst, dans, tekening – lijkt de voorstelling te gaan over ‘wat alsmaar terugkeert’. De handeling heeft iets dwangmatigs, traumatisch…
Werken met ‘gebaren die niet overgaan’, bewegingen die we willen kwijtraken maar die steeds weer terugkeren, is een basisprincipe in mijn choreografische oeuvre en in de projecten van Musée de la danse. Ook de aanslag op Charlie Hebdo is een gebeurtenis die niet overgaat, die zich in ons bewustzijn blijft aandienen. Dit dansstuk gaat echter ook over een ander aspect van het Musée de la danse, namelijk de vergankelijkheid die herinneringen en historische feiten doet verdwijnen. De dans is een vluchtig, kortstondig gegeven. Ik wil bewegingen creëren die onmiddellijk gewist kunnen worden, zonder sporen na te laten. Bewegingen die je weer kwijtraakt, die niet meer terugkomen… Wellicht heeft de voorstelling daardoor iets bezwerends, alsof we boze geesten willen uitdrijven.

Interview opgetekend door Gilles Amalvi voor het Festival d’Automne 2016
Vertaling: Veerle Lindemans

Back to top

Boris Charmatz (1973) is danser, choreograaf en directeur van het Musée de la danse, het nationaal choreografisch centrum van Rennes in het Franse Bretagne. De vormelijke eisen waaraan hij de dans als choreograaf onderwerpt, stellen hem in staat een nieuw werkveld aan te boren. Het podium is een laboratorium waar hij aan de slag gaat met organische elementen en concentraten, om vervolgens de chemische reactie te observeren en de spanning te meten die wordt teweeggebracht. Charmatz heeft een reeks gedurfde voorstellingen op zijn naam staan, van Aatt enen tionon (1996) tot danse de nuit (2016). Als danser werkte hij samen met kunstenaars als Médéric Collignon, Anne Teresa De Keersmaeker en Tino Sehgal. Als gastartiest van de editie 2011 van het Festival d’Avignon creëerde hij enfant, een stuk voor 26 kinderen en 9 dansers, evenals het project Une école d’art, een samenwerking tussen het Festival d’Avignon en het Musée de la danse. In MoMA (New York) toonde hij in 2013 Musée de la danse: Three Collective Gestures, een drieluik dat drie weken lang in het museum getoond werd. Na een eerste uitnodiging in 2012 reisde Boris Charmatz in 2015 opnieuw naar Tate Modern (Londen) met het project If Tate Modern was Musée de la danse?, waarin hij nieuwe versies speelde van de choreografieën À bras-le-corps, Levée des conflits, manger, Roman Photo, expo zéro en 20 danseurs pour le XXe siècle. Nog in 2015 opende hij het dansseizoen van de Opéra national de Paris met 20 danseurs pour le XXe siècle, waarvoor hij twintig dansers van het gezelschap uitnodigde om in verschillende ruimten van het Palais Garnier solo’s uit de twintigste eeuw te spelen. Het project werd in 2016 met andere dansers hernomen op Tanzkongress (Hannover) en in het Museo Reina Sofía (Madrid). Op een zondag in mei in 2015 en 2016 bracht Boris Charmatz op de Esplanade Charles-de-Gaulle in Rennes Fous de danse, een grootse ontmoeting waar de dans in al haar vormen en expressieve mogelijkheden beleefd kon worden. Op dit ogenblik werkt hij aan 10000 gestes, een stuk voor 25 dansers dat in juli 2017 in avant-première gaat op het Manchester International Festival. De première staat gepland in september 2017 in de Volksbühne Berlin, waar hij ook kunstenaar in residentie is. Boris Charmatz is auteur van verschillende publicaties: Entretenir/à propos d’une danse contemporaine, een samenwerking met Isabelle Launay(Centre national de la danse & Les Presses du réel, 2003), Je suis une école over het initiatief Bocal (Les Prairies Ordinaires, 2009) en Emails 2009-2010, in samenwerking met Jérôme Bel (Les Presses du réel &Musée de la danse, 2013).

Back to top