ZERO

Kaaistudio's

9/05 – 18:00
8, 9, 10, 11, 12/05 – 20:30
1h

Vorig jaar stelde het Kunstenfestivaldesarts Ioannis Mandafounis en Fabrice Mazliah voor aan het Belgische publiek met het krachtige duet P.A.D. Voor hun nieuwe creatie ZERO werken ze samen met de Israëlische May Zarhy. Daarin vertrekken ze van het lichaam als wit blad: een lichaam zonder herinnering, verleden of toekomst dat elke beweging uitvoert als was het de eerste keer, een werktuig zonder doel of functie. ZERO dient zich aan als een opeenvolging van verwarrende en verbrokkelde scènes tegen de ambiguë achtergrond van herkenbare geluiden, nu eens opgenomen, dan weer live gecreëerd. Wat je hoort, is niet altijd wat je ziet. Ook de lichamen reageren niet zoals verwacht. Ze zijn teruggeworpen op een geïsoleerd heden, overgeleverd aan constante interactie. Het vloeiende karakter van de beweging wordt in vraag gesteld. Gebaren worden gedeconstrueerd. Uit elkaar gerukt. Ontwricht. Maar als ‘je bent wat je doet’, welke identiteit blijft er dan nog over voor een lichaam dat zijn verleden heeft uitgewist? Met een verrassend fysieke intelligentie onderzoekt ZERO de relatie tussen de herinnering en het lichaam, zijn oriëntatiepunten en zijn reflexen.

Concept & uitvoering
Ioannis Mandafounis,
Fabrice Mazliah, May Zarhy

Geluid
Johannes Helberger

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Kaaitheater

Productie
Association CIE projet 11 (Genève)

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts, Künstlerhaus Mousonturm (Frankfurt), Festival Automne
en Normandie (Rouen), Rencontres Chorégraphiques Internationales de Seine-Saint-Denis (Parijs), PACT Zollverein (Essen)

Met de steun van
The Forsythe Company (Frankfurt)

Back to top

ZERO

“Als je niet langer wenst te begrijpen wat je ziet, wat blijft er dan nog te bekijken? Wat valt er dan nog te beleven?”

Het nog komende ontmoet het reeds voorbije

Een dialoog tussen

Ioannis Mandafounis

Fabrice Mazliah

May Zarhy

Nicole Peisl

Elizabeth Waterhouse

Liz: De voorstelling op het Kunstenfestivaldesarts wordt de vierde keer dat ZERO wordt opgevoerd, na de première in november 2009 op het Festival d’Automne en Normandie in Rouen. Kunt u beschrijven hoe deze samenwerking begonnen is?

Fabrice: De vragen die we ons bij het begin stelden waren nogal fundamenteel. Wat maakt een persoon? Ben je wat je doet? Wat is iemand als hij geen verleden heeft, geen herinneringen of opgeslagen kennis? Aanvankelijk probeerden we een reeks kleine experimentjes. We choreografeerden situaties in de kamer en voerden die dan uit zonder te bewegen, gewoon, in stilte, terwijl we ons inbeeldden dat de handeling in de kamer hiernaast plaatsvond. We wilden weten hoe het publiek zou reageren als het kijkt naar mensen die duidelijk iets aan het doen zijn, maar die desondanks helemaal niet “bewegen” of “dansen”. Konden zij dan merken dat deze mensen iets beleefden?

May: Bij deze vragen rezen talloze ideeën over opzet en functie. Hoe belichaam je een bepaalde bedoeling? Hoe voelt het om te kijken naar anderen die iets met een bepaalde bedoeling aan het doen zijn? Onder welke voorwaarden laten die bedoelingen en functies het afweten? En vooral: vanaf wanneer wordt dat dan, theatraal gezien, ook interessant?

Ioannis: Voor ZERO dachten wij ook veel na over ‘nihil’ – over ‘niets’ en ‘afwezigheid’. Wijzelf konden in elk geval niet afwezig zijn. We konden wel proberen om niets te beleven, maar uiteindelijk moesten we wel iets creëren. We wilden een werk tot stand brengen dat wel definitief was, maar toch niet helemaal vast stond. Iets dat open bleef voor vragen en mogelijkheden. Iets dat problemen stelt. Ons werkproces draaide dus rond de vraag hoe je dat doet. Welke vormen of structuren werken als je ze niet op een interessante manier laat werken?

Liz: Het klinkt dus alsof je afwezigheid dus eerder als een methode benadert, en niet zozeer als een choreografische metafoor. Het onderzoek draaide rond de vraag hoe je omgaat met het idee ‘nihil’ en het is die zoektocht die je wil delen met het publiek, niet zozeer het antwoord...

Ioannis: We vroegen ons als performers ook af wat het zou zijn vast te zitten in het moment - geen herinnering aan een verleden te hebben en geen zicht op de toekomst.

May: Ik zou dat beschrijven als het vermogen om je volledig in het hier en nu te plaatsen. Intentie op zuiver lichamelijk niveau. Geen passieve intentie, maar intentie waarnaar je onmiddellijk handelt.

Liz: Welke compositorische hulpmiddelen gebruikten of ontwikkelden jullie daarvoor?

Fabrice: Verwijderen, leegmaken, aftrekken, uitwissen – dat waren de compositorische ingrepen. Ons werk bestond erin situaties of relaties te bedenken tussen onszelf, met het publiek, de rekwisieten en de ruimte, en niet zozeer bepaalde handelingen of bewegingen. Daarna brachten we in ons materiaal verschillende lagen en nieuwe contexten aan. We besloten ons toe te leggen op functionaliteit: we zochten niet zozeer naar disfunctionaliteit, dan wel naar a-functionaliteit. Niet zozeer naar het doen mislukken van een bepaalde functie, maar wel naar het inslaan van een onverwachte richting. De redenering achter de situatie is dus moeilijk te vatten - zodat ruimte ontstaat voor bevraging, verwondering en gelach.

Liz: Zou je een scène uit het stuk kunnen beschrijven? En de ideeën of vragen daarachter even toelichten?

Ioannis: May en ik staan samen op het podium met onze handen en benen verstrengeld. Ik grijp mijn eigen arm vast, hoewel het voor het publiek lijkt alsof het May’s arm is. Daarmee wek ik bij het publiek een ander gevoel op dan wat ik zelf voel.

Fabrice: Wiens hand is van wie? Waar ligt het gevoel? Voel ik meer door haar hand aan te raken dan mijn eigen hand?

May: Het staat hoe dan ook buiten kijf dat je, als je je eigen hand aanraakt, jezelf aanraakt. Maar toch willen wij hier die vraag even stellen.

Fabrice: Het is alsof je niet weet wat je aan het strelen bent. Het is een ding. Misschien weet je er iets van, maar het fijne weet je er niet van. Je hand kon een microfoon zijn. Een boek. Om het even wat. Ons was het te doen om de relatie tussen subject en object, en om het zoeken naar de grenzen, afbakeningen en scheidingen tussen mensen en dingen.

Liz: Je gaf te kennen dat je daarbij geïnspireerd werd door filosofen zoals Henri Bergson en Maurice Merleau-Ponty. Verwijst de scène die je daarnet beschreef naar Merleau-Ponty’s beschouwingen over de rechterhand die de linkerhand aanraakt in De fenomenologie van de waarneming?

May: Jazeker, wij zijn in ons werk ook beïnvloed door Merleau-Ponty. Wij leven in een bepaalde relatie tot ons eigen specifieke lichaam – het specifieke lichaam dat wij zelf ook maken. Wij kunnen niet aan ons lichaam ontsnappen, want het lichaam stelt ons in staat te leven en te beleven. Wat in dit stuk echter speciaal is, is hoe we ideeën tonen of onderzoeken. De choreografie die het verhaal vormgeeft is een hulpmiddel, en een mysterie. Dat is de specificiteit van de theaterruimte. Wij benaderen deze onderwerpen altijd met gebruik van theatrale hulpmiddelen.

Fabrice: Nog een tweede voorbeeld. Halfweg het stuk zien we May en Ioannis nog een tweede keer ineengestrengeld, ditmaal liggend op de vloer, bijna als een bal, heel dicht tegen elkaar. Het kan hier om een heel intieme situatie gaan. Vanuit het perspectief van het publiek is het echter niet duidelijk wie eigenlijk wie aanraakt. Wat zijn zij precies aan het doen? Na een tijdje te hebben gekeken besef je vermoedelijk dat hier niet echt een omhelzing, of een relatie gaande is. Dit inzicht veroorzaakt een vreemde breuk. De twee performers zijn zo dicht opeen en toch zijn zij van elkaar verwijderd – zelfs van zichzelf. En tegelijkertijd is er ook een afstand tussen de situatie die wij als toeschouwer zien en die waarin de performers zich bevinden.

Liz: Mij bezorgde ZERO een bevreemdend, maar ook aangenaam, gevoel, dat ten dele te maken heeft met de beweging, maar ook met de vreemde kostuums en rekwisieten. Hoe selecteerde je die kostuums?

Fabrice: Het was onze bedoeling ‘iets tussenin’ te zijn – in elk geval niet duidelijk te definiëren wie we zijn. We wilden dingen vinden die de mensen doen vragen “Waarom dragen zij dat?”

May: Wij wilden niet in een of andere welomlijnde esthetiek passen. Elk element van de kostumering werpt je in een of andere wereld, maar past daar toch niet helemaal in en verschilt volledig van de andere delen – ik bedoel de relatie tussen hemd en broek, bij voorbeeld, of de relatie tussen verschillende mensen.

Liz: En de rekwisieten?

May: We begonnen al vroeg met die rekwisieten. Alle voorwerpen werden vormgegeven of ontworpen in nauwe relatie tot een bepaald deel van het menselijk lichaam. De voorwerpen zijn eigenlijk allemaal half rekwisiet en half kostuum.

Fabrice: We vroegen ons af – hoe diep worden wij beïnvloed door de dingen die we alle dagen doen? Door de dingen die wij aantrekken, de dingen waarin wij ons kleden? Ik vind dat het de gewone voorwerpen zijn die definiëren wat wij in werkelijkheid zijn. De alledaagse bewegingen die je maakt, staan in betrekking tot die voorwerpen. Een zak optillen, je hoed opzetten – het heeft iets van dansen met de dingen. Er zit een choreografie achter. Onder de huid dragen wij de sporen van wat ons omringt. Het lichaam wéét dat. In ZERO zoeken we naar die gehechtheid aan dingen die ons steeds weer ontgaat.

In het begin werkten onze opdrachten niet in een lege ruimte, met niks. Het hielp als we elementen hadden om mee te werken die ook de toeschouwers konden herkennen – die tot hun verbeelding spraken, die een referentiekader boden voor situaties die met die objecten mogelijk waren of die via projectie zelf konden worden bedacht. Uiteindelijk ontwierpen we toch een heel sterk theatrale ruimte die materieel duidelijk omlijnd was. Maar door de auditieve, visuele en sensoriële elementen van elkaar los te maken, zodat er geen verband meer tussen hen leek te bestaan, wilden we de toeschouwer ertoe brengen zijn eigen perceptie van de theaterruimte in vraag te stellen.

May: Het geluidsdesign van Johannes Helberger was cruciaal. In het dagelijks leven zijn de geluiden die bij handelingen horen voor ons vanzelfsprekend, bij voorbeeld: het geluid dat een deur maakt als je ze opent. In ZERO verstoren we die causaliteit en spelen we met dit soort nooit bevraagde verbanden.

Liz: Ik vroeg mij af of je hier iets specifieks kunt vertellen over de vuilnisemmer.

Nicole: Is het een vuilnisemmer? Of gewoon een emmer? Of een vat? Voor mij zou het een vat kunnen zijn...

Fabrice: Dat kon allemaal. Maar zit daar het geheim van het stuk? De emmer staat bijna in het midden van het podium. Wat wil dat zeggen? Is het een statement? Moeten wij er iets in steken, of onszelf misschien? Kunnen we alles er gewoon in gooien en helemaal opnieuw beginnen?

Nicole: Wat mij in dit werk intrigeert is dat het ruimte laat voor vragen. Wat zie ik? Wat verandert er in datgene waar ik naar kijk, en wat gebeurt er met mij, als toeschouwer? Welke vragen komen in mij, als deelnemer aan deze live performance, gewoon door er naar te kijken op, en wanneer? Als ik bezig ben met de details en dat voor mij genoeg is, en als ik een beeld wil krijgen van het grotere geheel? Is dat grotere geheel iets dat ik hier voor mijn ogen zie, of is dat grotere geheel iets waar ik een deel van ben?

Werkt ZERO rond iets dat het begin is – een mogelijkheid die alleen door de toeschouwer gerealiseerd moet worden? Als iemand geïnteresseerd raakt, dan ontstaat de mogelijkheid tot dialoog tussen de toeschouwer en datgene wat op het podium gebeurt. Maar de ruimte voor dialoog binnen in de toeschouwer is nog frappanter. Die plek tussen intonaties is ook een ruimte waarbinnen je gewaar wordt dat je leeft.

Eén belangrijk aspect van hoe je het idee van afwezigheid of verwijdering kunt oproepen is dat je de scènes voortdurend abrupt afbreekt. Je bouwt ze nooit uit. Dat is waar voor mij een potentieel ontstaat.

Fabrice: Er zijn in dit stuk geen vloeiende overgangen. Het is een landschap van onregelmatige en discontinue situaties. Ideeën zoals “dit gaat…” of “zij doen dit en dit gaat dan naar daar…” of “zij doet dit voor hem…” en “zij zijn daar mee bezig...” – zulke premissen gaan voor dit stuk niet op. Door scènes te creëren die zich aan elke vorm van herkenning ontrekken en die volstrekt onvoorspelbaar zijn, gaat het publiek aandachtiger beginnen kijken.

Nicole: ZERO plaatst je in een positie die een suggestie wekt, maar die deze suggestie niet waar maakt. Je laat overal gaten en begint vaak opnieuw. En dus wordt jouw dans – of jouw creatieve auteurschap als lid van het publiek – precies de dans, de rol waarin ik beweging zie. Ik zit dus niet gewoon te kijken naar iets dat mij bevalt of niet. Maar (lacht) ik begin mij bewust te worden van hoe ik mij voel.

Liz: Voor mij heeft ZERO een sterk associatieve en geladen inhoud. Maar door wat je getoond wordt – in één bepaald ogenblik of uitgewerkt over zeker tijdsverloop – treden er breuken op in de samenhangen, discontinuïteit, vervreemding, of spanning. Ik wou dat ik voor dit soort spanning een woord kende dat vóór humor komt, een ruimte die vóór de lach komt. Zoiets als ‘aangenaam ongemak’. Prikkeling?

May: De humor gaf ons ongetwijfeld een zekere vrijheid. Humor creëert openingen, zodat men minder geneigd is te oordelen. Je blijft vergelijkingen maken, en daarom is het grappig: je vergelijkt dingen met eerdere situaties en voorvallen. In ZERO zit de humor misschien in de kloof tussen de ernst van onze performance en wat het publiek verwacht door terug en vooruit te denken.

Ioannis: Van het stuk schreven we tweemaal een volledige kladversie. In de tweede versie waren we nog altijd voornamelijk bezig met dezelfde moeilijke opdracht dingen weg te laten. Maar dan, net daarvoor of net daarna, toonden we wat we deden.

Liz: Het klinkt als goocheltrucs. Maar het volstaat niet iets zomaar te doen verdwijnen. Je moet tonen wat eraan vooraf gaat en wat er nadien volgt. Hier heb je opnieuw die paradox van het niets. Niet het niets zelf, maar er in de buurt van komen: verwijderen en dan weer opnieuw verschijnen.

Fabrice: Wij wilden de mensen bereiken, niet opdat zij alles te weten zouden komen over wat wij doen, maar om ten minste samen één ervaring te delen.

Ioannis: De mensen, de toeschouwers, worden één uur lang, tijdens de voorstelling, een deel van ons collectief.

Fabrice: We probeerden die deur voor hen te openen, zodat ze aanwezig kunnen zijn. Soms denk ik dat mensen willen dat iets herkenbaars voor hen opdoemt, zodat zij er zich van kunnen losmaken. Voor ons is het belangrijk iets problematisch aan te bieden, om de toeschouwer in de voorstelling te integreren, om mét het publiek te werken.

***

Deze dialoog werd samengesteld op basis van een aantal e-mails en gesprekken tussen de makers en hun collega’s Nicole Peisl en Elizabeth Waterhouse, die allebei bij The Forsythe Company waren. Elizabeth Waterhouse voerde de redactie.

Back to top

Fabrice Mazliah (°1972) studeerde in zijn geboortestad Genève aan de École de Danse en vervolgens aan de Nationale Dansschool van Athene en aan het Rudra Béjart schoolatelier van Lausanne. Hij werkte bij de Harris Mandafounis Dance Company, het Nederlands Dans Theater, het Ballett Frankfurt en ten slotte bij The Forsythe Company vanaf 2005. Daarnaast creëerde hij eigen choreografieën, zoals Remote Versions (2003) en Double B(l)ind (2004), waarvoor hij samenwerkte met Agnès Chekroun en Jone San Martin, en Home (2004), een samenwerking met Roberta Mosca en Gilbert Mazliah. Later creëerde Fabrice Mazliah ook nog HUE (2007), in samenwerking met zeven dansers van The Forsythe Company.

Ioannis Mandafounis (°1981) werd geboren in Athene en studeerde dans aan het Conservatoire de Paris. Hij werkte bij het Göteborgs Operans Balett, de Harris Mandafounis Dance Company en het Nederlands Dans Theater II. In 2004 stichtte hij de Lemurius Company met Anastasis Gouliaris en Katerina Skiada. In hetzelfde jaar nam hij deel aan de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Athene. Hij kwam bij The Forsythe Company in 2005, en werkt al enkele jaren als freelance choreograaf. Samen met Fabrice Mazliah stelde hij in 2009 op het Kunstenfestivaldesarts het dansstuk P.A.D. voor.

May Zarhy (°1984) verhuisde in 2002 naar Nederland om te studeren aan de Rotterdamse Dansacademie. In 2005 stond ze William Forsythe bij in het creëren van 3 Atmospheric Studies. In 2007 was May Zarhy artist-in-residence in PACT Zollverein (Essen). Vandaag woont en werkt ze in haar Israëlische geboortestad Tel Aviv.

Back to top