Versus

Kaaitheater

15/05 – 18:00
14, 16/05 – 20:30
ES > NL / FR

Versus: contra, tegen. Het woord vat de wrede en onbarmhartige energie die door het theater van Rodrigo García loopt, gebald samen. Beelden tegen een overvloed aan beelden, lichamen tegen het geformatteerde ideaalbeeld van het lichaam, woorden tegenover een dominant discours. De Argentijnse regisseur die in Madrid woont, maakt met Versus een poëtische explosie. In het centrum van het speelvlak liggen verscheurde, besmeurde en kapotte boeken, terwijl een scherm losse beelden braakt die er op hun beurt op gericht zijn onze perceptie van de wereld onderuit te halen of die te verzadigen. Wat begint als een discussie over pizza’s, kan plotseling verder gaan als een stuk geschiedenis, of een referentie naar Goya. Versus switcht van flamencozangers naar een post-punkband en van bedenkingen over de liefde naar uitspraken over de verhouding tussen vernedering en economie. Met dit totaalkunstwerk lijkt García de vraag te stellen wat de kracht van de taal is in confrontatie met de boulimie van de consumptie. “Wat moeten we doen: zeggen wat we denken, ons terugtrekken of deelnemen? En wat als elke actie, elke inspanning tevergeefs is?”

Concept & regie
Rodrigo García

Met
Patricia Álvarez, Amelia Díaz, Rubén Escamilla, Juan Loriente, Nuria Lloansi, Isabel Ojeda, David Pino, Daniel Romero, Víctor Vallejo

Belichting
Carlos Marqueríe

Technische leiding
Roberto Cafaggini

Geluid
Marc Romagosa

Kostuums
Belén Montoliu

Animatie
Cristina Busto

Video
Ramón Diago

Muziek
Chiquita y Chatarra,
David Pino, tape.

Productieverantwoordelijke
Mónica Cofiño, Mariate García, Diego Lamas

Fotografie
Christian Berthelot

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Kaaitheater

Productie
Sociedad Estatal de Conmemoraciones Culturales (SECC)

Met de samenwerking van
Teatro de la Laboral (Gijón), Gobierno del Principado de Asturias

Back to top

Interview met Rodrigo García

Vanwaar de titel Versus ?

Omwille van een gevecht. Een gevecht tegen het systeem maar dan van binnen uit. Het is een filosofisch en poëtisch gevecht gefinancierd met geld van de overheid. Toen ik begon met theater maken, heb ik tien jaar lang mijn creaties zelf gefinancierd. Daarna, en tot op vandaag, heb ik een beroep gedaan op overheidssteun, op subsidies, zoals zoveel andere kunstenaars. Dat is de reden waarom mijn werk vroeger poëtischer en abstracter was – de projecten die ik gecreëerd heb van 1989 tot 2000. Ik moest tegenover niemand verantwoording afleggen. Daarna is mijn werk toegankelijker geworden. Maar vandaag geloof ik dat ik me vergist heb. Op politiek vlak was het misschien veel efficiënter geweest voort te graven in het poëtische en het abstracte. Uiteindelijk is dát precies wat ontbreekt in onze samenleving. Stoutmoedigheid en onzekerheid, mysterie en poëzie.

In het begin van de voorstelling wordt er gezegd dat elk individu luid en duidelijk moet uitdrukken wat hij denkt of waar hij van droomt, ook al heeft hij het nooit durven doen of zeggen. Tegelijk wordt er gezegd dat theater eigenlijk de dingen moet verbergen, dat ze niet moeten worden onthuld en dat we onze gevoelens niet hoeven bloot te leggen. Naar welke kant neigt uw werk? Welke strategie hanteert u als het over deze tegenstelling gaat? Maakt u een duidelijke keuze of kiest u er eerder voor de spanning tussen de twee te bespelen?

Die spanning is altijd en in elk project aanwezig. Of dat zou toch zo moeten zijn in elk geval. Wat moeten we doen: spelen, zeggen wat we denken, op de achtergrond blijven of partij kiezen? En wat als elke actie, elke inspanning tevergeefs is? Praten wij om iets te verbeteren of alleen maar om gehoord te worden? Kunnen praten en acteren dan worden samengevat als een egocentrische handeling van mensen die zich willen laten gelden? We zijn nochtans menselijke wezens! En we geloven in de dialektiek! Maar gaat het wel echt over dialektiek? Ik heb de indruk dat we veel te veel praten en dat ons gepraat bitter weinig veranderingen in het dagelijkse leven teweegbrengt. We praten in het Parlement, in de Senaat, in de supermarkt, in het theater... maar het dagelijkse leven verbetert niet. Misschien is dat zo omdat we ons laten leiden door consensus en gematigdheid; twee zaken die ik verafschuw net zoals wellevendheid trouwens. Ongetwijfeld nog het slechtst van allemaal.

U heeft het in de voorstelling bovendien over de aard van de voorstelling zelf, en over het bevragen van de podiumkunst. Dat is een nieuw gegeven in uw werk. Is dat een manier om de toeschouwers beter te doen begrijpen wat zich voor hun ogen zal afspelen?

In deze creatie komen geregeld tedere, of zelfs zachte boodschappen bovendrijven. Ze hebben echter een bittere ondertoon. Ogenschijnlijk reiken ze je de hand maar in realiteit sleuren ze je mee naar een sombere en koude plek... Een sombere plek waar je genoodzaakt bent aangepaste belichting te voorzien opdat sombere dingen zichtbaar zouden zijn. Dat is wat Versus wil doen: het publiek meevoeren naar een donkere plek waar iedereen op zijn manier een deel van de leegte belicht; dat elke toeschouwer toegeeft dat alles van nul kan worden geherformuleerd en dat leven volgens de ‘regels’ die ons zijn aangeleerd zeker comfortabel is, maar dodelijk vervelend en stom.

Spreekt u de toeschouwers zo aan omdat ze de boodschap anders niet zouden begrijpen?

Ik ben niet didactisch. Op een bepaald moment zeg ik iets en tien minuten later verdedig ik het tegendeel. Het publiek hoeft een voorstelling niet te begrijpen; het publiek moet een plezier ervaren dat poëtisch is van aard. Het moet klaar zijn om te dromen, een weg in te slaan, zijn eigen verlangen te ontcijferen, te ontleden, plannen te beramen en tenslotte ook geconfronteerd te worden met een poëtisch project. ‘Elk menselijk wezen is een kunstenaar’, zei Joseph Beuys. Deze uitspraak heeft een diepe betekenis en doet hopen. Volgens mij heeft iedereen een groot poëtisch potentieel in zich, hoewel het vaak is ingeslapen. En wat mij betreft, ik hou mij bezig met het uitvinden van een specifieke scenische kalligrafie en ik hoop dat het publiek plezier vindt in het ontcijferen ervan. En dat het gaandeweg ontdekt dat we heel wat gemeen hebben.

In deze voorstelling zit een dimensie die ook al aanwezig was in uw meest recente creaties en die doet denken aan de vorm van een dagboek. Er wordt in de eerste persoon gepraat. Aan wie moeten we dat discours in de eerste persoon toeschrijven? Wie spreekt er in de voorstelling? Het lijkt wel alsof ook de acteurs praten vanuit hun eigen ervaringen? Is dat zo?

Mijn methode bestaat erin een fictief verhaal te creëren, zelfs wanneer ik de eerste persoon gebruik. Telkens ik vaststel dat ik voor een ‘personage’ schrijf, begin ik opnieuw. Ik kan dat niet. En wat betreft de acteurs, ze zijn zo goed dat je zou denken dat er voor hen geen tekst geschreven is. Omdat het lijkt alsof ze alles op het moment zelf bedenken en alsof het over hun eigen ervaringen gaat. Daar is niets van aan. In die zin is het werkproces vij klassiek: ik schrijf thuis, de acteurs studeren de tekst in en maken zich die tekst eigen. Het voordeel is dat ik weet voor wie ik schrijf. Ik weet hoe ze de tekst zullen zeggen. In die zin ben ik een theaterauteur. Maar dit betekent niet dat mijn woorden de acteurs gegoten zitten zoals bij een maatpak het geval kan zijn – dat zou vreselijk klinken, zoals een vermomming, zeer oppervlakkig. Neen, mijn woorden moeten een plek vinden in de ziel van elke acteur.

U hebt het nog nooit zo vaak over liefde en dood gehad. Het zijn voor de hand liggende thema's, zoveel is zeker, maar tegelijk zijn ze moeilijk op scène te brengen. Vanwaar komt plotseling die noodzaak om het te hebben over liefde en dood?

Misschien is het de leeftijd. Ik ben 45 jaar oud. In werkelijkheid ben ik jonger dan toen ik 18 was. Toen ik 18 was, had ik de hersenen van een man van 70. Er zijn waarschijnlijk weinig thema's die zo vaak mismeesterd geweest zijn als de liefde: in de muziek, in slechte literatuur en snertfilms... Dus waarom de liefde niet voorstellen vanuit een invalshoek die tegelijk nihilistisch en hoopvol is? Wij hebben de neiging anderen de plaats van God te geven. Waarna we vaststellen dat de anderen niet bestaan, net zoals God. En dan zijn we teleurgesteld. We denken dat de anderen niet bestaan, of toch in elk geval niet zoals wij het zouden willen. Elk individu bestaat voor zichzelf. Geloven dat iemand een minuut van z'n leven belangeloos aan ons zal wijden, is een gevaarlijk ideaal. Het leidt tot teleurstelling. En daarna tot zelfmoord.

Liefde en dood worden op verschillende manieren voorgesteld in Versus. In het begin is er het beeld van de foetus, en één van de actrices was zwanger toen de voorstelling in première ging. Het begint dus met het leven maar tijdens het stuk komt de dood geregeld tussen.

Inderdaad, in Versus praat ik op een zeer heldere manier over het leven en de dood. Op het einde van de voorstelling komt er zelfs een man op scène die zijn brood verdient met het opmaken van lijken. Wanneer de mens sterft, wordt hij een object. Dat object zal uiteen vallen. De mens ‘is’ nog steeds, zelfs als dat betekent dat hij dood is. Maar we weten dat hij niet meer is (hij is dood). En nochtans draagt hij in zijn dode lichaam de herinneringen en schrikbarende sporen van het ‘zijn’.

De actrice is nu niet meer zwanger. Speelt zij nog altijd in de voorstelling?

Ja, ze is nu moeder en ze is zeer gelukkig. Ze heeft zich in het project gesmeten zonder dat ze wist dat ze zwanger was. Toen ze mij vroeg of ze uit het project moest stappen, heb ik haar verzocht dat niet te doen. Het project zal nu veranderen. En dat is zeer goed, want theatervoorstellingen leven, net zoals wij.

Er wordt nu al enkele maanden gepraat over de financiële en economische crisis. Er wordt zelfs bijna alleen maar daarover gepraat. Uw werk is bekend om zijn scherpe en zeer ironische kritiek op onze comsumptiemaatschappij. Wat denkt u van de crisis?

Ik heb altijd geprobeerd de mensen te raken die vandaag slachtoffer van de crisis zijn. Mensen zoals ik. Hun leven gaat voort en hun leven interesseert mij niet; ze hebben nog altijd vluchtwegen en weten nog altijd hoe ze kunnen overleven. Als de crisis betekent dat ze niet elke week meer op restaurant kunnen gaan, of geen nieuwe wagen kunnen kopen of er moeten voor uitkijken niet te veel geld uit te geven, dan interesseert dat me niet. Deze crisis gaat over de mensen die de zekerheid hebben in een wonderlijke wereld te leven. En die mensen kunnen mij weinig schelen. De anderen interesseren mij wél; zij die het altijd al lastig hebben gehad. Zij hebben niet te lijden onder de crisis, zij laten zich al hun hele leven lang naaien.

Interview door Hugues Le Tanneur

In het kader van het Festival d’Automne à Paris (13 september – 19 december 2009)

Back to top

Rodrigo García (°1964) werd geboren in Buenos Aires. Hij woont en werkt in Spanje. Hij is auteur, beeldend kunstenaar, scenograaf en regisseur, en is vooral bekend om zijn fysieke en provocerende theatervoorstellingen. In 1989 richtte Rodrigo García La Carnicería Teatro op, waarmee hij verschillende experimentele theaterstukken creëerde. De vaak wilde en krachtige producties van dit gezelschap combineren dans, muziek en performance met García’s provocatieve teksten en vernieuwende scenografieën. Zijn creaties zijn al wereldwijd gepresenteerd. De teksten van García werden al vaak opgevoerd en vertaald. Voor de projecten Macbeth imagenes (1987), Reloj (1988), Notas de Cocina (1994) and El Padre (1994), mocht García enkele internationale prijzen in ontvangst nemen. In 2002 stonden Rodrigo García en La Carnicería Teatro al op het Kunstenfestivaldesarts, met het project After Sun. In 2009 mocht García de Prix Europe Nouvelles Realités Théâtrales in ontvangst nemen.

Back to top