Shapeless

La Raffinerie

18, 19, 20/05 – 20:30
21/05 – 18:00
50 min

Na haar studie bij P.A.R.T.S., waar ze tot de eerste lichting afgestudeerden behoorde, trok Charlotte Vanden Eynde de aandacht met intieme en persoonlijke producties die uitdrukking gaven aan een verlangen naar een terugkeer naar een staat van onschuld in de beweging. Nadat ze haar horizonten verbreedde – met o.m. de hoofdrol in Dorothée Van Den Berghes film Meisje – keerde zij terug naar de dans met I’m Sorry It’s (Not) A Story, een opmerkelijke solo waarin het (her)ontdekken van zichzelf centraal staat en waarin ze afstand neemt van de bewegingstalen die haar lichaam als danseres hebben gevormd en getekend. Ditmaal gaat Vanden Eynde in dialoog met het vocabularium dat zij zich in de loop der jaren eigen gemaakt heeft. In Shapeless vertrekt ze van zuiver fysieke, formele en dynamische aspecten van de beweging. In nauwe relatie met de muziek bereikt ze daarbij een graad van abstractie waarvan ze de grenzen en limieten onderzoekt, maar waaruit emotie nooit afwezig is.

Choreografie & dans
Charlotte Vanden Eynde

Coaching
Nada Gambier

Licht & techniek
Bert Vermeulen & Elke Verachtert

Kostuum
Juliette Bogers

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, La Raffinerie

Production
wp Zimmer (Antwerpen)

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts

Met de steun van
Buda Kunstencentrum (Kortrijk), Kunstencentrum Vooruit (Gent), Vlaamse Gemeenschap

Met dank aan
Marc Vanrunxt, Maya Wilsens, Etienne Guilloteau & Willem Vanden Eynde

Back to top

De nieuwe chaos van Charlotte Vanden Eynde

Voor ze twee jaar geleden de solo I’m Sorry It’s (Not) A Story maakte, deed de choreografe Charlotte Vanden Eynde er vier jaar het zwijgen toe. Sindsdien is de geest echter terug uit de fles. Op het Kunstenfestivaldesarts presenteert ze alweer een nieuwe solo met de werktitel Shapeless. Nu wil ze echter uit een ander vaatje tappen dan in haar vroegere werk.

Charlotte Vanden Eynde: Onmiddellijk na I’m Sorry It’s (Not) A Story wilde ik weer een solo maken, maar deze keer wou ik het meer in de richting van abstracte dans zoeken. Ik heb die wens een tijd laten sudderen om zeker te zijn dat het niet om een tijdelijke bevlieging ging. Toen de ‘goesting’ bleef, zocht ik productiesteun. Christophe Slagmuylder van Kunstenfestivaldesarts was heel enthousiast over mijn vorige solo en wilde daarom ook nu weer bijspringen. Zodoende…

Wat bedoel je precies met ‘abstracte dans’? De drager, het medium van dans blijft immers altijd een heel concreet lichaam?
In eerste instantie zou je kunnen zeggen dat het in de creatie vooral om de vorm, minder om een intentie gaat. Bewegingen die voortkomen uit het verlangen om te willen bewegen zonder meer, niet uit een emotioneel geladen thema, een bepaalde inhoud of zekere associaties. Natuurlijk kan je dat onderscheid niet zo scherp trekken. Ook nu komen associaties bij mij op terwijl ik werk, maar ik blijf er minder bij stilstaan. Nada Gambier, die zowel bij deze productie als bij I’m Sorry als mijn coach optreedt, vindt dat het expressieve of suggestieve bij mij heel snel naar de oppervlakte komt. Ze vindt niet dat ik dat moet uitsluiten. Maar toch leg ik de klemtoon nu meer op het fysieke, op het doen, ook al valt dat niet volkomen los te koppelen van het emotionele. Dat is trouwens niet alleen in dans zo. Dat geldt voor alle kunst. Ook een zwart vierkant roept een emotie op. Ik wil die trouwens niet bannen, want dan zou een stuk niet veel teweeg brengen.

Zelfs binnen de louter fysieke aspecten van dans zijn er nog steeds veel bewegingsparameters waarop je kan werken: je kan focussen op de grote bewegingsfiguren, op de globale lichaamsexpressie of juist op details van bewegingen. Heb jij één specifieke invalshoek?
Inderdaad. Ik ben op zoek naar wat je het vormeloze zou kunnen noemen, vandaar de werktitel Shapeless. Telkens ik mijzelf een vorm aanmeet probeer ik die zo snel mogelijk weer los te laten. Je kan je de dans die ik probeer te maken voorstellen als een voortdurend kantelen of vervloeien van de ene vorm in de andere, zodat je de vorm niet kan ‘pakken’.

Ook dan heb je twee uitersten. Cunningham legde specifieke poses vast en liet de dansers dan zoeken naar overgangen tussen beiden. Dat is één manier om te vervloeien. Het andere uiterste is de ‘morphing’ die je bij Meg Stuart ziet. Daar verschuift de hele uitstraling van een performer voortdurend, zelfs al wordt er weinig bewogen en zijn er geen afgelijnde poses.
Ik denk dat ik meer in de richting van ‘morphing’ evolueer. Bij veel dansvoorstellingen zijn poses zo helder gedefinieerd dat zelfs een leek ze min of meer kan herhalen. Je herkent al snel vormen die refereren naar een bekend model. In mijn opleiding als danser heb ik mij heel wat van die vormen en technieken leren eigen maken. Als choreograaf heb ik die lange tijd naast mij neergelegd omdat ik niet wist wat ermee aan te vangen. Nu probeer ik die technieken echter bewust te gebruiken. Dat valt mij heel moeilijk. Ik ben snel geneigd om naar een vorm van verstilling te gaan, om niet-dansante, sculpturale poses aan te nemen. Hier dwing ik mij tot het tegenovergestelde: mijn lijf losschudden, mijn benen van de grond doen komen. Daar komt mijn bagage als danser aan te pas. Maar daarna probeer ik het herkenbare weer te doen verdwijnen, door die sporen uit te wissen. Je mag niet zien waar het vandaan komt, ik wil er mijn eigen draai aan geven zodat je er terug mij in ziet. Het moet “very Charlotte” zijn, zoals Nada Gambier zegt. Het moet ook een vorm van bewegen zijn die zo vluchtig is dat je de afzonderlijke poses niet kan vatten, laat staan nadoen.

Je gaat dus via bekende, aangeleerde vormen naar iets wat niet meer als een duidelijke vorm te lezen valt. Hoe ben je daartoe gekomen?
Ik ontdekte mijn fascinatie voor die spanning tussen vorm en niet-vorm door een workshop die ik gaf bij Wisper (een culturele vormingsorganisatie, n.v.d.r.). De meeste deelnemers kwamen uit de theaterwereld en hadden dus weinig kaas gegeten van dans. Eén meisje was daarin echter behoorlijk geschoold. Ik gaf de deelnemers de opdracht mee om via improvisatie een ‘eigen’ dans te ontwikkelen. Bij de theaterlui botste ik op een klassiek probleem: je moet ze uit hun statische houding bevrijden. Eens het zover was, kwamen ze echter met heel authentieke dansen voor de dag. Dat komt, volgens mij, door hun gebrek aan dansachtergrond. Daardoor hebben ze geen vocabularium om op terug te vallen. Wat ze tonen, komt echt van henzelf. De danseres daarentegen wist meteen heel wat uit haar mouw te schudden, maar op één of andere manier kwam het mij toch als minder authentiek over. Haar bewegingen waren allemaal erg recht op recht. Het vergde een heel proces om haar te laten vergeten wat ze al geleerd had. Zolang ze binnen die lijntjes bleef wist ze precies welk effect ze kon sorteren, hoe het er uitzag. Ik ervoer dat echter als een teveel aan vorm. Ik wou haar meer vanuit haar ‘buik’ laten dansen. Zoals je op een fuif danst: dan controleer je ook niet voortdurend het effect. Dat lukte pas werkelijk op de allerlaatste dag. Ze bracht een erg mooi stuk. Vreemd genoeg merkte ze bij die veel authentiekere dans op dat ze zelf geen enkel idee had wat ze nu eigenlijk gedaan had. Ik vond dat een bijzonder interessante kwestie. Te veel vorm is niet goed, maar als je het vormbewustzijn loslaat, waar ga je dan naartoe? Hoe kom je tot een bewegingsvorm die enkel te benaderen valt, maar niet te definiëren?

Ben je dan met mentale processen bezig, met ‘toestanden’ waarin je verzeilt?
Niet echt, omdat ik merkte dat het een beperking was als je te veel vertrekt vanuit ‘states of mind’. Je kan je proberen in te beelden hoe je eerst gelukzalig bent om je dan miserabel te voelen, en daar komt zeker een soort bewegen uit voort. Maar het beperkt je ook. Ik laat nu gewoon komen wat er komt. Ik probeer vooral mijzelf te bevrijden van patronen waarin ik mij blijkbaar genesteld heb. Iedereen heeft zo’n patronen, dingen die je als vanzelf steeds weer doet. Het wordt interessant als je daar tegenin probeert te gaan.

Maar als je ‘laat komen wat er komt’ heb je ook een probleem: een voorstelling wordt geacht min of meer herhaalbaar te zijn.
Daar moet ik nu aan beginnen: zien hoe ik dingen toch kan vastleggen. Het is een leerproces voor mij. Tot nu toe ben ik daar op een elementair niveau mee bezig. De uitdaging ligt in iets wat Jonathan Burrows aangeeft in zijn boek. De eerste keer dat je een beweging maakt is ze ‘ongezien’, maar hoe meer je ze herhaalt, hoe gewoner ze wordt. De kunst bestaat erin dat ‘ongeziene’, het unieke van een beweging elke keer weer uit te vinden.

Hoe verhoudt zich dat tot je eerdere werk?
Vroeger zocht ik naar vorm vanuit een bepaalde intentie. Iets als een foto nemen. Beeldend werk. Het ging vaak om bewegingsloosheid en wat daar dan gebeurt. Maar nu ben ik de richting die ik destijds koos – of die mij koos – beu. Dans doet ook andere dingen. Dans is ook iets wat je kan overkomen, en voortdurend transformeert. Op een feestje weet ik ook niet hoe ik daar sta te dansen, maar daarom is het niet zonder betekenis. In mijn vorige voorstellingen, bijvoorbeeld in Vrouwenvouwen, zijn er wel momenten geweest waarin ik die chaos toegelaten heb, maar dat bleef sterk gekaderd. Het is een risico natuurlijk. Niemand verwacht dat van mij.

Muziek is wellicht wel belangrijk? En wat met de scenografie?
Muziek is een belangrijk aspect als je wil werken met de dynamiek van bewegingen. Het zal even chaotische muziek worden als de beweging. Ik denk aan muzikanten als Einstürzende Neubauten, John Zorn, Hans Appelqvist, Tom Cora. De scenografie draait vooral rond de lichtregie die ik samen met Elke Verachtert en Bert Vermeulen ontwerp. Het zal er wellicht zo’n beetje uitzien alsof het licht gewoon zijn ‘goesting’ doet. Overdacht toevallig of toevallig overdacht. Die drie lagen; dans, muziek en licht zullen elk hun eigen gang gaan, over elkaar heen schuren.

Een echt avontuur dus?
Ja… Zalig!

Interview: Pieter T’Jonck

Back to top

Charlotte Vanden Eynde (°1975) studeerde van 1993 tot 1996 aan het Hoger Instituut voor Dans te Lier en van 1996 tot 1999 aan P.A.R.T.S. Sindsdien is ze bezig met het creëren van haar eigen werk. Charlotte Vanden Eynde werkte al drie keer samen met theatermaker Jan Decorte: voor Amlett (choreografie, dans en spel), Cirque Danton (choreografie) en Cannibali! (choreografie, dans en spel). In 2002 was Charlotte Vanden Eynde als hoofdrolspeelster te zien in Meisje, de debuutfilm van de Brusselse cineaste Dorothée van den Berghe, waarvoor zij een nominatie kreeg voor Beste Belgische Actrice 2001/2002 en waarvoor zij op het filmfestival van Amiens de Prix d’Interprétation Féminine mocht ontvangen. In 2002-2003 volgde Vanden Eynde een opleiding video- en filmkunst aan de KASK in Antwerpen. In 2009 creëerde zij de danssolo I’m Sorry It’s (Not) A Story. Begin 2011 danste zij in de voorstelling Onvoltooid Verleden Tijd van De Roovers.

Back to top