Sad Sam Lucky

Kaaistudio's

8, 10/05 – 20:30

9, 11/05 – 22:00
EN > FR / NL

65min

Na een opleiding in Amsterdam keerde de jonge danser en choreograaf Matija Ferlin terug naar zijn geboortestad Pula in Kroatië. Ferlin brengt in zijn werk een conceptuele aanpak samen met een extreme lichamelijkheid, en een vormelijke rigueur met een hang naar romantiek. In 2004 begon hij een reeks genaamd Sad Sam, aan de laatste episode ervan voegt hij nu de term Lucky toe, een verwijzing naar vooraanstaand Sloveens dichter Srečko Kosovel (1904-1926). De avant-gardistische schrijver – beroemd om zijn diepgaand ironisch oeuvre en zijn noodlottige leven – vormt voor de jonge choreograaf een onuitputtelijke inspiratiebron. Met een mix van tekst, muziek en beweging ontvouwt deze melancholische en turbulente solo de dubbelzinnigheid van tekens en de veelheid aan keuzes: het lichaam of het intellect? Het individu of de geschiedenis? Tussen de geesten van het verleden en de beloftes van de toekomst probeert een jonge kunstenaar te zijn in het heden. Een openbaring!

Choreografie & performance
Matija Ferlin

Dramaturgie
Goran Ferčec


Tekst
Srečko Kosovel, Matija Ferlin

Muziek
Luka Prinčič

Decor
Mauricio Ferlin


Belichting
Saša Fistrić

Kostuums
Matija Ferlin

Design
Tina Ivezić

Beelden
Christophe Chemin

Fotografie
Danko Stjepanović, Nada Žgank


Vertaling
Katja Kosi, Daniela Bilić Rojnić


Projectassistentie
Ana Kovačević, Nina Janež

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Kaaitheater

Productie & management
Emanat (Ljubljana)

Co-productie
Rencontres chorégraphiques internationales de Seine-Saint-Denis, Centre National de la Danse (Parijs)


Residentie & coproductie
Zagreb Dance Centre


In samenwerking met
Bunker-The Old Power Station, Elektro Ljubljana, Dance & Non-verbal Theatre Festival San Vincenti


Met de steun van
Ministry of Education, Science, Culture and Sport of Republic Slovenia, Municipality of Ljubljana, Municipality of Pula

Back to top

Sad Sam Lucky: solo voor een danser en zijn dubbel

Na de choreografische opleiding aan de School For New Dance Development in Amsterdam initieerde Matija Ferlin een cyclus van solo's onder de titel Sad Sam...Een titel open voor linguïstische spelletjes die zijn moedertaal, het Kroatisch, verbindt met perfect verstaanbaar Engels. Na de initiële spanning tussen het begin van de zin - Sad Sam... (Nu ben ik...) - en het komende woord verstopt zich een werk over identiteit, intiem en professioneel, een introspectieve zoektocht die daarom niet minder communicatief is.

Het begon in 2004 met een tentoonstelling, SaD SaM Display, en een stuk, Sad Sam (revisited), gevolgd door een tweede stuk Sad Sam Almost 6 (2009). Sad Sam Lucky (2012) is tot nu het laatste luik van de serie rond de genese van een dansend subject. Sinds bijna een decennium is deze reeks de geheime tuin die Matija Ferlin blijft cultiveren tussen periodes van samenwerking met choreografen als Sasha Waltz en Ame Handerson. Het is een bevoorrechte experimenteerruimte. Het zo ontstane laboratorium laat toe pistes te verkennen die hij pas later in een andere context ontwikkelt of omgekeerd, herneemt. Zoals bij Sad Sam Lucky, een solo die de danser deed in het stuk Serata artistica giovanile (2008) van de Sloveense choreografe Maja Delak.

De solo's kunnen gelezen worden als etappes afgelegd door een dansend subject dat zich engageert in een continu bevragingsproces zonder een rationeel bewustzijn dat de totaliteit van de cyclus kan omvatten. Matija Ferlin doet volgens hemzelf niets anders dan de staat van alles wat hem bezighoudt en het hier en nu "documenteren" zodat "zijn interpretatie altijd voortvloeit uit een oprechte verhouding met de staat waarin hij zich bevindt". Het subject is niet de plaats waar het werk vandaan komt. Het is als een bodem die getekend wordt door erin te graven, een landschap gevormd door sedimenten van doorleefde ervaringen. Het werk van het persoonlijk geheugen manifesteert zich even zeer op het psychologische niveau als op het niveau van de handeling. Het geheugen van de bewegingen, de betekenaar van een bewegende identiteit, laat de kristallisatie van de dansende lichamelijkheid toe. Sommige "figuren" uit de choreografische taal van Ferlin die al aanwezig waren in het begin van de cyclus, duiken terug op in latere etappes om zich in te schrijven of weg te glippen in andere houdingen en nieuwe aaneenschakelingen. Het opnieuw opduiken is gekleurd door een radicale invraagstelling van de technieken aangeleerd in het dansonderwijs. Door in solo's rond te spoken, installeren deze terugkerende bewegingen een dialoog met de instantie van de auteur. Ze openen de mogelijkheid voor de imaginaire getuige en toeschouwer om het dansende subject te herkennen en het te volgen over verschillende etappes, door de verspreide fragmenten te verzamelen als evenveel indicatoren van uitingen.

In zijn vorige solo's ging Ferlin de confrontatie aan met zijn eigen anders zijn in een face-à-face met zichzelf. In Sad Sam Lucky introduceert hij de dubbele figuur onder de vorm van de Sloveense avant-gardedichter Srečko Kosovel (1904-1926), die tijdens zijn korte leven verschillende stromingen doorliep: van het impressionisme tot het constructivisme via het expressionisme. Lucky is niets anders dan de vertaling van de voornaam van de dichter die als een derde, een mediator optreedt binnen de meervoudige subjectiviteit van Ferlin. De ontmoeting van de danser met het tegelijk eigenaardig vertrouwde niet-reduceerbare anderszijn van Kosovel, zet hem aan zijn bewegingshabitus te verfijnen en voegt een nieuwe dimensie toe aan zijn autoreferentiële bekommernissen. Alhoewel vertrekkend van een verwrongen identificatieproces bij de ontdekking van de dichtbundel Intégrales van Kosovel en hun gemeenschappelijke interesse inzake creatie, steunt het stuk grotendeels op de grote expressionistische thema's over leven en werk van de dichter: de mystiek, de eenzaamheid en de dood, onderwerpen die de zelfrepresentatie beperken. De scène wordt een tijdruimte open voor co-aanwezigheden, een alliantie van twee lichamen die elkaar nog nooit ontmoet hebben. Deze solois een reële doch onmogelijke uitwisseling tussen twee jonge kunstenaars, de een levend, de andere verdwenen. De levende wekt de overledene door zijn beeltenis met een opmerkelijke juistheid op te roepen, zijn verzen te incarneren en te laten klinken. Omgekeerd materialiseert zich het lichaam van de door ziekte op zijn tweeëntwintigste gestorven dichter. Het laat de dood verschijnen in het levende lichaam. De spanning tussen de geanimeerde en de niet-geanimeerde wordt benadrukt door de keuze van het belangrijkste object op de scène: een tafel die de ruimtelijkheid van de dansbeweging bepaalt en verschillende metamorfoses ondergaat.

Ferlin installeert de stoornissen op verschillende niveaus zodat het statuut zelf van wat men ziet onbeslist wordt. Door de overgangen tussen het performatieve en fictionele register te verveelvoudigen, brengt hij heterogene materialen op een intieme manier bij elkaar waardoor de kijker constant uitgenodigd wordt zich af te vragen of het subject dat als ik optreedt, de dichter of de danser is. Tegelijk verwijderen meta-theatrale en deconstructieve procedés de met expressionistische emotie gevulde elementen. Het feit dat de danser weer tot zichzelf komt na door de lichamelijkheid van de dichter ingenomen te zijn, introduceert het reële en versterkt zijn aanwezigheid. Door de performatieve handelingen wordt de toeschouwer regelmatig meegenomen naar het heden van de representatie. De kracht van de uitvoering van Ferlin ligt onder andere in de onverbreekbare band met de toeschouwer die uitgenodigd wordt verder te werken aan dit open stuk.

De dans is fragmentarisch, uiteengespat en ontwijkend. De bewegingen stotteren, met terugkerende schokkerige gestes. De opeenvolging hapert, Ferlin doorloopt verschillende tonische staten. De verhouding met het "gewicht" is opvallend: de toeschouwer wordt soms verrast door de luchtigheid van een vloeiende beweging, gepaard aan een lichte spanning, zoals die eigenaardige antizwaartekrachtsprongen. Het dansend lichaam wordt zowel liggend als staand van hiërarchie ontdaan en vaak bewust uit evenwicht gebracht. Het wordt veelvuldig gekenmerkt door een fysieke radicaliteit die verwijst naar de idee van kunst als extreme gewaarwording, zo geliefd door de dichter Kosovel. De terugkerende vallende figuren hebben niets gemeen met de voordien opgeroepen betoverende sprongen. Integendeel, het lichaam valt met volle gewicht zodat er een wolk houtskoolstof opstijgt. In de melancholische sfeer die van de verzen van de Sloveense dichter uitgaat, roepen ze perfect de gevoelssituatie van het op de aarde geworpen zijn op, niet in staat zich te onttrekken aan de plicht om te zijn.

De behandelde thema's zijn expressionistisch, maar de structuur van het stuk put uit formele constructivistische bronnen. De samenstelling van het werk toont zich net en precies rond de zin "Een enorm werk staat me te wachten, is dat niet verheugend?" De figuur van de cyclische terugkeer die de noties van begin en einde bevraagt is een equatie van de reflectie over het vergankelijke en het eeuwige, opgeroepen door het lezen van de poëzie van Kosovel. Tegelijk betekent ze voor Ferlin het middel om een nieuwe thematische reflectie te introduceren: die van de arbeid die de kunstenaar in staat stelt zich volledig te verwezenlijken, die hem zonder medelijden vooruit duwt door creatiedrang maar die ook sporen nalaat. Ook al dient deze frase als bindmiddel, ze brengt de tijd tot stilstand, slaat een bres in het lineaire verloop van de performance. Als een bezwering, een magische formule waarmee de vertolker representatiepoorten opent door zich uiteen te zetten met de lichamelijke materie en de poëtische beelden van Kosovel.

De uitgepuurde scenografie steunt op het contrast tussen grijs-zwart en wit en verwezenlijkt de metafoor van de schriftuur als kruispunt van poëzie en choreografie. De dans als tracé van de danser, als een schrijfinstrument. De objecten op de scène zijn een tafel en bladeren omdat ze de belangrijkste instrumenten vormen van de dichter. De allusie op het schrijven stelt Ferlin in staat het thema van de artistieke arbeid verder uit te diepen. De poëtische schriftuur van Kosovel als inspiratiebron wordt onmiddellijk duidelijk door de aanwezigheid van zijn bundel op het podium en de tekst waarnaar Ferlin op ostentatieve manier verwijst.

Sad Sam Lucky gaat voorbij de tegenstellingen identificatie/verwijdering, woord/daad, ik/jij en blijft het hier en nu van de performance bevragen. Alle elementen van de voorstelling gaan over de ontmoeting met dans en met de dichter. Er is sprake van een gelukkige oplossing van de equatie tussen taal en lichaam. Dans en woord hebben allebei een relatie met het lichaam en zijn beiden taal. De dans ontstaan uit de ontmoeting met de dichter is uitzonderlijk, niet thuis te brengen, tegelijk stotterend en vloeiend, luchtig en verankerd, abstract en theatraal, vluchtig en geschreven, performatief en gechoreografeerd, mystiek en fysiek.

Door Jelena Rajak
Integrale tekst verschenen onder de titel 'De performatieve intersubjectiviteit: de plaats van de dubbel in de genese van een dansend subject' in Kretanja/Mouvements, tijdschrift over dans, 17/2012, Kroatisch centrum ITI, Zagreb.

Back to top

Matija Ferlin studeerde aan de School voor Nieuwe Dansontwikkeling (SNDO) in Amsterdam. Hij woonde en werkte in Berlijn. Na zijn terugkeer naar Pula (in Kroatisch Istrië) concentreerde hij zich op onderzoek en het opnieuw articuleren van een aantal concepten uit de podiumperformance en uit andere media zoals kortfilm, video, tentoonstellingen en kostuumontwerp. Ferlin presenteerde zijn werk op tal van festivals, zowat overal in Europa en Amerika: Impulstanz in Wenen, het festival Spider, Mladi levi en Gibanica in Ljubljana, het Ex-Yu Festival in New York, het Rhubarb Festival in Toronto, het University Festival of Contemporary Dance in Bogotá, de Rencontres Chorégraphiques in Parijs, het Festival of Dance and Non-Verbal Theatre in Svetvinčenat (Kroatië), het Perforations Festival in Zagreb, enz. Matija Ferlin is de auteur van de volgende theaterstukken: Tepli zdrhi (2001), Sad Sam Revisited (2004/06), Drugo za jedno (2007), Lucky Between the Mountains (2007), Sad Sam Almost 6 (2009), The Most Together We’ve Ever Been (in samenwerking met Ame Henderson, 2009), Nastup (2010), Samice (2012), Sad Sam Lucky (2012); kortfilms en video’s: 4:48 (2003), Rework at the Freezing Point (2004), VUK – Vorbild und Kampf (2006), Iznad oblaka (Nola, 2009), Automatic Disco (Dogma, 2010); en tentoonstellingen: SaD SaM Display(2004), Lucky is the Lion That the Human Will Eat (2006), Pozdravite svoje doma! (2007), Beauty Unrealised (2009), Differ & Repeat (2011). Matija Ferlin werkte samen met tal van choreografen, regisseurs, dramaturgen en beeldend kunstenaars, waaronder Ame Henderson, Sasha Waltz, Maja Delak, Aleksandra Janeva, Luc Dunberry, David Zambrano, Keren Levi, Ivica Buljan, Mateja Koležnik, Goran Ferčec, Jasna Žmak, Paul Mpagi Sepuya, Christophe Chemin en Mauricio Ferlin. In 2010 werd zijn performance NASTUP (Onformance), waarvoor hij de choreografie verzorgde, bekroond met de Croatian Theater Award, in drie categorieën: beste choreografie, beste hedendaagse dansvoorstelling en beste danseres. Volgens het New Yorkse V-magazine was Ferlin een van de meest toonaangevende choreografen van 2011. Sinds kort doceert hij aan professionele instellingen en scholen in Europa en Noord-Amerika.

Back to top