On the Institute for Human Activities

WIELS

8, 10/05 – 20:30
9, 11/05 – 18:00
EN

1h


In het ophefmakende Enjoy Poverty: Episode III zette Renzo Martens in 2009 een bewustmakingscampagne op onder Congolezen rond de economische waarde van hun eigen armoede. Het Institute for Human Activities is een antwoord op de opschudding die Enjoy Poverty veroorzaakte en op de voornaamste kritiek van de film: dat kunst over Afrika hier wel, maar daar geen brood op de plank brengt. Het Institute for Human Activities is een ambitieus instituut dat een heleboel kunst instellingen, kunstenaars en theoretici samenbrengt rond één doel: de gentrificatie van een stuk regenwoud, op de rand van een plantage zo’n 800 kilometer ten noorden van Kinshasa. De middelen voor kunstproductie worden er gemobiliseerd voor het ontwikkelen van een nieuw en meer radicaal mandaat voor kritiek in de kunst. De artistiek leider van het Instituut, Renzo Martens, komt een stand van zaken geven waarop hij de (on)mogelijkheid van het hele project zal toelichten. Een verhelderende lezing over een poging om de productievoorwaarden van kritische kunst uit de coulissen te trekken en productief te maken…

Door
Renzo Martens

Begeleiding
Barbara Van Lindt

Videomontage
Rudi Maerten

Ontwikkeld in samenwerking met
Delphine Hesters, Jaap Koster, Els Roelandt

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, WIELS

Productie
Institute for Human Activities (IHA)

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts

Met de steun van
Mondriaan Fonds, AFK, Prins Claus Fonds, Van Abbemuseum (Eindhoven), KASK School of Arts (Gent), KVS (Brussel)

Back to top

Renzo Martens in conversatie met T.J. Demos

T.J. Demos: Tijdens de zomer van 2012 werd het Institute for Human Activities ingehuldigd met een openingsseminarie in de Democratische Republiek Congo, aangekondigd op de 7de Biënnale van Berlijn. Kan je de doelstellingen van dit instituut omschrijven en iets vertellen over haar topologie?

Renzo Martens: Het openingsseminarie hebben we in Boteka gehouden, een plek in het noordwesten van het land. Het ligt vlak naast de Plantations et Huileries du Congo, waar Lord Leverhulme een concessie had verkregen van de Belgische koloniale overheid in 1911. Dit is de plek waar hij de palmolie voor de Sunlightzeep liet produceren, en deze plantages vormen de basis van het Unileverimperium.

Het is ook hier dat het nieuwe instituut een gentrificatieprogramma wil opzetten, hoewel die term op zich misschien te provocerend is. Het idee richt zich op de probleem van heel wat kritische kunst die we vandaag zien. Ongeacht hoezeer die werken bepaalde politieke of economische systemen bekritiseren of deconstrueren, het lijkt uiteindelijk niet veel te veranderen op die plaatsen waar de kritiek zich op richt. Ze blijken echter wel een impact te hebben op plaatsen waar dergelijke kunst wordt getoond, verspreid en gedoceerd, plaatsen die vaak niet toevallig voormalige koloniale centra zijn - New York, Brussel, Londen en Berlijn. Er zijn vele voorbeelden van deze accumulatie van intellectueel en symbolisch kapitaal, maar ook van financieel kapitaal, door middel van kunst. Dit is iets waar ook op gespeculeerd wordt. Niet alleen de vastgoedontwikkelaars, maar ook vooraanstaande curatoren weten maar al te goed dat hun projecten zullen worden gefinancierd als ze een onderliggende economische drijfveer kunnen linken aan hun instelling of biënnale. Dit is belangrijk als we echt het mandaat van de kunst willen onderzoeken, als we willen dat kunst haar eigen productievoorwaarden in beschouwing neemt. Ik dacht, nou, dit alles moet meegenomen worden als een fundamentele parameter van de artistieke productie en niet als een neveneffect van de kunst. Daarom hebben we een programma opgezet met gentrificatie als de voornaamste interventie.

Het Institute for Human Activities dat ik samen met Delphine Hesters, Jaap Koster, Jean François Mombia en Els Roelandt heb opgericht, wil een kunstencentrum, een museum, een residentieprogramma en een school met masterclasses opzetten. Wij bieden introducties in de kunstpraktijk voor plantagearbeiders en willen kunstenaars uit Kinshasa en andere Afrikaanse steden uitnodigen samen met kunstenaars en onderzoekers uit het Westen. Uiteindelijk hopen wij de plantagearbeiders te kunnen helpen, hoewel zij nu - om eerlijk te zijn - al indirect voor ons werken binnen een zeer traditioneel soort economisch systeem, namelijk via fysieke arbeid voor een heel laag dag- of uurloon. Het is ons doel hen binnen te leiden in de nieuwe immateriële en affectieve economie.

TJD: Dus het instituut zal onder andere als een soort van onderwijscentrum en later een tentoonstellingplek voor opkomende kunstenaars fungeren. Hoe zullen in dat geval de verkopen georganiseerd worden? Zoals bekend kwam dit in je film Episode III: Enjoy Poverty duidelijk naar voor als een tekortkoming: de Congolese fotografen die jullie hadden 'getraind' konden uiteindelijk geen perskaarten krijgen of hun foto's aan de internationale mediaorganisaties verkopen.

RM: Dat is waar. De verkoop zal georganiseerd worden onder de koepel van het instituut. Niet dat de winst naar het instituut zal gaan, die gaat uiteraard naar de kunstenaars. Maar het instituut zal fungeren als een soort handelsmerk, want men zal niet alleen een of andere tekening kopen of tentoonstellen, maar ook letterlijk investeren in het overkoepelende project, in de grotere sociale opzet en het artistieke experiment.

TJD: Jullie creëren een context waarin de deelnemers - iedereen die bij het instituut betrokken zal zijn, zowel lokale participanten als onderzoekers als de artists in residence - zich een zekere vorm van zelfbeschikking kan toe-eigenen, in die zin dat ze iets voor zichzelf creëren. Voor zover ik het begrijp, is het niet zo dat het project volledig door jullie wordt gedefinieerd en bepaald.

RM: Hopelijk kunnen we structuren creëren die deze vorm van flexibiliteit toelaten. Ik denk dat elke museumdirecteur hoopt dat hij of zij een museum kan bouwen waarin anderen het mogelijk en zinvol vinden eigen voorstellen - zowel in, tegen, rond, onder of boven - het museum te maken.

[...]

RM: Ik realiseerde me dat institutionele kritiek in de kunst uiteindelijk slechts enkele regio's in de wereld ten goede komt. Maar als je een soort van structurele analyse wil maken van wat de voordelen van kunst zijn, wie er het meest baat heeft bij die institutionele kritiek, en als je kijkt naar de mensen die in de meest problematische gebieden wonen binnen het systeem dat wordt bekritiseerd (in dit geval, arme Afrikaanse regenwoudgebieden die volledig zijn geïntegreerd in de wereldeconomie), dan kun je daar niet gewoon een kritisch kunstwerk over gaan maken en het in New York of Europa tonen, en het dan daar bij houden. Dit soort werk zou geen besef van een eigen manier van functioneren uitdrukken.

TJD: In die zin valt jullie frustratie met oudere vormen van institutionele kritiek (IK) samen met de bezorgdheden van gelijkgestemde kunstenaars zoals Andrea Fraser en Hito Steyerl, alsook andere schrijvers die deze kwestie hebben aangepakt zoals Gerald Raunig en Brian Holmes, die recent soortgelijke kritieken hebben geuit.[1] Ik denk dat jullie instituut provocerend is omdat het de gevaren van IK in zijn huidige gedaante tracht te ontwijken. Fraser bijvoorbeeld, schrijft over hoe een politiek kunstwerk dat een bepaald systeem van onderdrukking in de wereld aan de kaak wil stellen vaak nalaat het economisch voordeel dat het haalt uit het maken van die kritiek te verantwoorden.[2] Fraser omschrijft dit als 'negatie', een selectieve en potentieel hypocriete kritikaliteit. We kunnen stellen dat IK riskeert enerzijds in solipsisme te vervallen, eindeloos verwijzend naar die institutionele functies die de kunst beoogt te analyseren, en anderzijds in negatie, waarbij het de economische impact van zijn kritische gebaar verloochent en de originele reflexiviteit van IK ondergraaft.

RM: Misschien is het wel reflexiviteit wat ik zoek, als ik het heb over het identificeren van de parameters die het bestaan van deze instelling mogelijk maken. Er zijn zo'n enorme ongelijkheden, en de accumulatie van voordelen is voornamelijk te vinden in dezelfde consumptiecentra, of het nu gaat over de voordelen van de artistieke kritiek of die van de alomtegenwoordige economische uitbuiting. Dus als kunstenaars deze situatie willen bestuderen en er effectief mee willen omgaan, dan moet er iets anders gedaan worden. En het is door effectief actie te initiëren, door het creëren van een plaats waar de parameters van de kunstproductie transparant worden gemaakt, dat ik hoop dat de kunst die voor, of door, of tegen deze instelling zal worden geproduceerd, zich zal ontwikkelen, en een dieper begrip van haar eigen werking zal mogelijk maken.

TJD: Aan je uitleg te horen, hebben jullie niet de gentrificatie in de conventionele zin als doel, waarbij gentrificatie begrepen wordt als het revitaliseren van vervallen stedelijke gebieden waar dan vervolgens door vastgoedontwikkelaars kapitaal wordt ingepompt om winst te maken, wat resulteert in de verdringing van lokale, minder bemiddelde inwoners die er al generaties wonen.[3] Ik worstel met die term omwille van zijn westerse connotaties met een bepaald model van roofzuchtig kapitalisme, het installeren van economische ongelijkheid en de ruimtelijke politiek van ongelijke ontwikkeling. Maar de context op het platteland in Congo is volledig anders. De vraag die ik bij het project heb is of het uiteindelijk een nabootsing van een zeer problematische set van wereldwijde verhoudingen zal worden, dan wel zal evolueren naar de transformatieve doelen die je hebt geformuleerd.

RM: Beide, We moeten eerst het eerste doen om het tweede te kunnen realiseren.

Dit is een korte versie van een tekstdie voor het eerst werd gepubliceerd in CameraAustria120 (2012), p. 44-53

T.J. Demos is kunstcriticus en lector in moderne en hedendaagse kunst aan het University College London. Renzo Martens is de creatieve directeur van het Institute for Human Activities.

[1] Zie Hito Steyerl, 'Politics of Art: Contemporary Art and the Transition to Postdemocracy', e-flux no. 21 (december 2010); Andrea Fraser, 'L'1% C'est Moi', Texte zur Kunst (augustus 2011), 114-27; Brian Holmes, 'Extradisciplinary Investigations. Towards a New Critique of Institutions', at eipcp.net (januari 2007); Gerald Raunig en Gene Ray, eds., Art and Contemporary Critical Practice Reinventing Institutional Critique (Londen: Mayfly, 2009)

[2] Andrea Fraser, 'There's No Place Like Home', The Whitney Biennial 2012 (New York: Whitney Museum, 2012)

[3] Zie Rosalyn Deutsche en Cara Gendel Ryan, 'The Fine Art of Gentrification', October no. 31 (winter 1984): 91-111

Back to top

Het Institute for Human Activities werd opgericht in 2012. Met juridische vestigingen in Amsterdam, Brussel en Kinshasa, een aantal vermaarde institutionele partners en adviseurs, en een toegewijd team van kunstenaars en denkers, is de raison d’être van het Instituut het herijken van het mandaat voor kritiek in de kunst. Het Instituut is werkzaam in een nederzetting in de Democratische Republiek Congo, achthonderd kilometer ten noorden van Kinshasa langs de Congo-rivier. Hier, in één van de meest geteisterde maar ook veelbelovende streken ter wereld, startte het Institute for Human Activities zijn vijf jaar omspannende gentrificatieprogramma op, waarbij de middelen voor kunstproductie in een in-vitro testgrond zullen worden gemobiliseerd. Samen met een reeks culturele instellingen en bedrijfspartners denkt het Institute for Human Activities een nieuw model uit voor lokale ontwikkeling. Tijdens haar ontplooiing zal het Institute een site voor liefde, kunst en winst opzetten.

Back to top