Numax-Fagor-plus

Cinéma Marivaux

16/05 – 20:30 FR
17/05 – 22:00 EN
18/05 – 20:30 NL
20/05 – 20:30 FR
21/05 – 20:30 FR
22/05 – 20:30 NL
23/05 – 20:30 FR
± 1h 30min

De geschiedenis herhaalt zich. In 1979 vernemen de arbeiders van de Spaanse huishoudapparatenfabrikant Numax dat een experiment van collectief zelfbeheer om hun onderneming te redden is mislukt. Bewust van de nederlaag beslissen ze hun laatste dagen te laten vastleggen op film. In 2013 legt de coöperatie Fagor, een van de grootste fabrikanten van huishoudelektro in Europa, noodgedwongen de boeken neer. De Catalaanse kunstenaar Roger Bernat nodigde de arbeiders van Fagor uit om de laatste beraadslagingen bij Numax weer op te voeren in de stijl van re-enactments van historische veldslagen. In 2014 is het aan de Brusselaars om het woord te nemen! Al meer dan vijftien jaar ontwikkelt Roger Bernat werk dat peilt naar onze betrokkenheid bij de samenleving en de kunsten. In 2009 liet hij op het Kunstenfestivaldesarts een onuitwisbare indruk na met het theaterspel Domini Públic. In 2014 creëert Bernat een originele voorstelling die een reëel moment van collectieve crisis doet herleven. Het laatste woord is aan ons.

Numax-Fagor-plus is een stuk van Roger Bernat met bij elke voorstelling een andere performer. Op het Kunstenfestivaldesarts speelt XXX de Franse, YYY de Nederlandse en ZZZ de Engelse voorstellingen. Het vertrekpunt van dit stuk is de film Numax, presenta (1980) van regisseur Joaquim Jordà met de medewerking van de ex-arbeiders van de fabrieken Numax en Fagor-Electrodomésticos. De dramaturgie werd gedaan door Roberto Fratini en het historisch onderzoek door Pablo González Morandi. De visuele programmering wordt verzorgd door Matteo Sisti en het geluid door Cristóbal Saavedra Vial. De technische leiding is in handen van Txalo Toloza, de coördinatie van het hele project van Helena Febrés Fraylich. Ricard Terés is productieassistent. We willen Ramiro Ledo Cordeiro bedanken voor zijn niet aflatende aandacht en zorg voor het project, net als Ahots Kooperatibista en de krant Mondraberri.

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts

Productie
Elèctrica produccions (Barcelona)

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts, Elèctrica Produccions (Barcelona), Grec 2014 Festival de Barcelona

Vorige versie gecoproduceerd door
FRAC Basse Normandie (Caen), Temporada Alta (Girona)

Back to top

DE GESCHIEDENIS: ONVERGANKELIJKE TIJDEN
door Pablo González Morandi

NUMAX, 1979

Amnestie voor arbeiders / Gewoon opnieuw in dienst / Vroeger werden wij onderdrukt, vandaag worden wij onderdrukt, we leggen het werk erbij neer / Solidariteit met de arbeiders / Amnestie, vrijheid, autonomie / Op een uitkomst van de crisis in het voordeel van de arbeider / Volk dat verenigd is, wordt nooit overwonnen / Nee tegen vrije ontslagen / Op de vrijheid van vereniging en het recht om te staken / Nee tegen het pact van Moncloa / Leve de arbeidersklasse

Onder deze slogans maakte de cineast Joaquín Jordà de film Numax presenta… (1979), een documentaire die de ervaringen vastlegt van eengroep arbeiders die twee jaar lang de Numax-fabriek voor huishoudapparatenin Barcelona collectiviseerde en leidde. De film werd gemaaktin opdracht van de arbeidersbeweging. Die besloot, tegen het eindevan hun bestaan al, om de laatste 700.000 peseta’s uit hun verzetsfondste investeren om hun strijd op te nemen en te bewaren. Aangezien dearbeiders ook de producenten waren, werd tijdens de draaiweek eencensuurcomité van arbeiders verantwoordelijk gesteld voor de opnames.Jordà herinnerde zich dat “we gelukkig ‘s nachts filmden, na een tijdjelagen ze gewoon op de grond te slapen en maakten we hen pas wakkerals we klaar waren met filmen.”

De laatste scène is een feest waarin je de toekomstdromen van een aantalarbeiders hoort: studeren voor magistraat, op het platteland gaanwonen, nooit meer uitgebuit worden door bazen of zelfs nooit meer hoevente werken. Die verlangens zorgden ervoor dat de film niet goed ontvangenwerd door vakbonden en arbeidersbewegingen. Zij vonden datde film een weinig verheffend beeld schetste van hun strijd. De film werdjarenlang vergeten.

FAGOR, 2013

Echte democratie nu / Wij zijn handelswaar in de handen van politici en bankiers / Stop de uithuiszettingen / Niemand vertegenwoordigt ons nog / Iedereen de straat op / Wat zij democratie noemen is geen democratie / Er is niet genoeg brood voor al die worst / Geweld is 600 euro in rekening brengen / Nee tegen de bezuinigingen / Democratie 2.0 / Deze crisis betalen wij niet

In deze ambiance gaat Fagor, een andere fabriek voor huishoudapparaten, failliet op 13 november 2013. 1800 arbeiders staan op straat. De Coöperatieve Mondragón Maatschappij (MCC) werd opgericht in 1956 en is vandaag de grootste coöperatie ter wereld. De maatschappij verenigt 110 coöperatieven in verschillende sectoren en stelt meer dan 80.000 mensen aan het werk.

De val van Fagor, het vlaggenschip van de MCC, zorgde voor groot persoonlijk en maatschappelijk drama in de hele Mondragónvallei. Als je met de arbeiders praat, krijg je de indruk dat ze wakker worden uit een droom en ondertussen in shock zijn. Voor velen onder hen gaat het bij de sluiting van de fabriek niet alleen om het verlies van hun job en het kapitaal dat zij als vennoten geïnvesteerd hadden, maar ook om de uitholling van een sociaal model, een alternatief voor het kapitalisme, iets waarin zij rotsvast geloofden. “Hier heerste een bepaald idee, hier hing een specifieke geestdrift in de lucht. Vandaag zijn we een onderneming uit de duizend, iets als McDonald’s,” beklaagt een arbeider zich.

Vandaag heeft de hoop om overgeplaatst te worden naar andere bedrijven binnen de MCC-groep tot een zeker individualisme geleid. In combinatie met het gebrek aan syndicale traditie (te wijten aan het feit dat de arbeiders zelf vennoten zijn) lijkt dit het protest in de kiem gesmoord te hebben. Slechts een minderheid blijft kritisch ten opzichte van het bestuur en organiseert nog demonstraties om de jobs te verdedigen.

PLUS

Deze twee momentopnamen van de arbeidersstrijd liggen 35 jaar uit elkaar. Ondertussen, terwijl het land een van zijn beste economische periodes doormaakte, is er veel veranderd. De fabriek verloor zijn rol als arena van politieke strijd, het woord ‘proletarisch’ durft praktisch niemand nog uit te spreken in het openbaar, en de arbeiderssymbolen hebben alleen nog betekenis voor een paar nostalgici. Arbeiders zie je al lang niet meer op straat, zoals de schrijver Pérez Andujar opmerkt: wellicht omdat ze zich ondertussen vermomd hebben als consumenten. Hoewel het discours radicaal veranderd is, blijven de fabrieken draaien, aan een lopende band staan blijft aan een lopende band staan en de uitbuiting… ach die uitbuiting toch!

HET THEATER: EX OPERE OPERATO
door Roberto Fratini

Het naspelen van historische veldslagen als de slag bij Gettysburg of Waterloo, historische recreatie zo je wil, vertegenwoordigt in zekere zin de democratische versie van de talloze panorama’s en tableaus die in de negentiende eeuw de woelige onrust van de opkomende massa’s van de industriële revolutie moesten afwenden. Gesteld dat de motor van het negentiende-eeuwse historicisme in de mogelijkheid bestond om de geschiedenis om te vormen tot entertainment, kon het consumatum est alleen maar geconsumeerd worden als het opnieuw geformuleerd en geactualiseerd werd, waarbij je er dan tegelijkertijd voor zorgt dat het voortdurend aanwassende publiek zich in het gebeuren herkent.

Het is dan ook geen toeval dat de eeuw van de levensgrote tableaus eveneens de gouden tijd van het figuratieve was: anonieme burgers kregen de mogelijkheid om in beeld te komen bij artistieke ficties die gebaseerd waren op historische gebeurtenissen.

Je zou kunnen zeggen dat de politieke stilte, de onbeweeglijkheid van een massa die ondertussen wars is van elk perspectief om haar discours te organiseren en haar stem vorm te geven, weerspiegeld wordt in al die regelrechte actie, in dat figureren. De massa vermomt zich in de parafernalia van het verleden. Het verleden is verworden tot een onuitputtelijke bron van goedkope epiek, van participatief heldendom en nostalgisch kippenvel.

De eeuwigheid van de Grote Geschiedenis heeft zich terug ingeschreven in de registers van de herhaling. Na te zijn beoordeeld en te hebben gefigureerd door en in de tableaus van de massa’s, leerde de geschiedenis ons niets meer, en werd ze slechts onderwezen. Het is dan ook geen verrassing dat vandaag, net als toen, de referentie die in het domein van historische recreatie het vaakst werd uitgebuit de slagveldscène is. Geen enkel ander thema staat zo mijlenver af van elke dialectiek, en komt tegelijkertijd zo dicht bij de aantrekkingskracht van pure actie, van een van elke woordenschat ontdane stuiptrekking; in geen enkel ander thema is de massa enerzijds zo actief, en anderzijds zo anoniem en geschikt om op te offeren; geen enkele andere recurrente scène is zo dankbaar als je de anti-esthetische gruwel van de militaire geschiedenis in historische taferelen weer wilt esthetiseren.

Stel je nu eens voor dat we de arbeidersstrijd tot het onderwerp van dergelijk vermaak zouden maken, dat we die zouden recreëren, deze vorm van conflict die zo uitgesproken politiek is omdat de uitgebeelde actie zich organiseert, structureert en richting krijgt via het discours. Het discours en de dialectiek vinden elkaar enerzijds op het niveau van de publieke rede, in de antipoden van de orde en het bevel, en anderzijds via de kracht van de stilte en de gehoorzaamheid. Worden de manieren waarop arbeiders en vakbonden voor hun rechten strijden beschouwd als vormen van actie, dan kan de dialectiek zelf vermijden dat gewapende conflicten het enige synoniem worden van die actie. We zouden in dat geval lichtjaren verwijderd zijn van de stille dociliteit en de decoratieve passiviteit van de massa’s in veel historische tableaus en schilderijen. De belangrijkste uitdaging van de arbeidersklasse in de strijd is dan ook altijd het vinden van een stem geweest die het collectief resoneert maar niet anoniem klinkt, noch samenvalt met zichzelf. Op die manier wordt het samenbrengen van arbeiders een linguïstische en autodidactische reflectie van de arbeidersconditie. Dat houdt in dat het bewustzijn van die eigen conditie het mogelijk maakt om zelf voorwaarden af te dwingen. Men zou kunnen zeggen dat deze vorm van discours, die gebaseerd is op een pragmatische solidariteit, op zich al een re-enactment is. Het gaat dan niet meer om de aanlokkelijke herneming van een verloren of gewonnen oorlog, maar het op punt stellen, het verderzetten en het niet-consumeren van een strijd die, en dat spreekt vanzelf, nooit is opgehouden.

De arbeidersstrijd is bij machte geweest haar stem in protocollen te ontwaren, te organiseren en uit te drukken. Soms gebeurde dat ook via dialectische rituelen, waardoor het mogelijk werd de actualiteit van die protocollen opnieuw te vinden. De dialectische waarheid die ontspruit aan de urgentie van de strijd ontwikkelt dan zijn potentieel van objectiviteit, zijn publieke gevoeligheid, zijn oneigentijdsheid, en dat precies op het moment dat zij in een andere stem wordt uitgesproken: een stem die terugkoppelt aan de traditie en zich beperkt tot het ‘overbrengen’ en ‘aanleveren’ van de waarheid. Een stem waarvan de kracht niet ligt in het tot leven wekken van de tekst met een overtuigende interpretatie, hetgeen alleen tot diens herleven zou leiden, maar wel een stem die de nadruk legt op het feit dat de woorden in het heden nog steeds waarde hebben en dat omdat het uitspreken van die woorden, op het gepaste moment, op zich al leidt tot een daad van verwijdering, een vorm van emancipatie of een tweedeling tussen lichaam en geest, tussen contingentie en algemeenheid. Eigenlijk hebben we het hier dus over een vorm van liturgie.

Lang voor de protochristelijke theologie dat woord met de functie van cultus en de daarbij horende gebaren en teksten associeerde, duidde het woord leiturgia, volgens de oude Grieken, op elke vorm van actie waarbij publieke doelen en voordelen werden nagestreefd: een dienst die aan de collectiviteit bewezen moest worden en waarvoor burgers op gezette tijden hun verantwoordelijkheid moesten opnemen. Deze plichten en taken representeerden een nood of een interesse die voorbij de particuliere behoefte of de specifieke identiteit van een enkele burger lag. Ook in de religieuze zin, namelijk die van liturgie als cultus, de liturgie als heractualisering van het mysterie, gaat de liturgie volledig voorbij aan de identiteit of waarachtigheid van de uitvoerder: het mysterie blijft altijd geldig, zelfs als het wordt uitgedragen door een erg slechte priester. De heilige communie verliest niets van haar waarde wanneer al haar deelnemers onverbeterlijke zondaars zijn. Meer zelfs, het mysterie kan alleen opgevat worden wanneer het opgevoerd wordt als voldongen feit, als een vorm van verlossing die al bekomen is en toch nog steeds actueel blijft, en dat door middel van operatieve en operationele gebaren en woorden die de heilige teksten onvermoeibaar tot een vorm van actie maken.

Misschien is het een overdrijving te geloven dat de arbeidersstrijd een dialectische en wereldse herschrijving van een belofte van geluk of verlossing was die zich eeuwenlang expliciet objectiveerde via de ceremoniële aspecten van een cultus en die vandaag, in de dialectiek, haar eigen liturgie ontmoet, haar eigen publieke officium: de constructie zeg maar van een topologie van verlossing en vrijheid binnen een immanent heden en een vooralsnog niet transcendente toekomst. Het valt niet te ontkennen dat de dialectiek, in haar pogingen een dramaturgie rond dit debat te construeren, een aantal concepten van de liturgie in de klassieke zin heeft geërfd. Ten eerste de idee dat de belofte van een feitelijke toekomstige vrijheid alleen doorvoeld kan worden als er al vrijheid geweest is, dat wil zeggen, het gevoel dat die vrijheid voor het arbeidersbewustzijn al een voldongen feit was. Daarnaast is er de idee dat, net zoals de morele en politieke autoriteit van de arbeidersklasse zich op hun eigen kennis baseerde, alsook op de morele eigendom van de productiemiddelen en de operaties die hen productiefmaakten, de plek waar de potentiële vrijheid op zijn beurt met zichzelf experimenteerde, zichzelf op zijn beurt verwerkelijkte alsof zij al werkelijk was, de ruimte van de discursieve operatie was, een constructie, een gedeeld patroon van een gemeenschappelijk vrijheidsapparaat.

Als we mogen hopen dat we door het gegeven re-enactment in een nieuw licht te stellen dat verleden, via zo’n discursieve operatie, kunnen voorstellen alsof zij nog steeds actueel was, dan kan dat omdat zij destijds, door diezelfde discursieve operatie, eveneens voorgesteld kon worden als een denkbeeldige toekomst die ook toen al actueel was.

De re-enactment van arbeidersdemonstraties geeft toeschouwers de kans om de toespraken en het discours over te leveren zoals die vijfentwintig jaar geleden door arbeiders werden gevoerd tijdens het interne debat dat ontstond doordat arbeiders zich dialectisch uiteenzetten met de vraag of de praktische vorm van hun emancipatie niet op een nieuwe vorm van onderdrukking zou uitdraaien. Via die daad, die op zich al een complexe daad van recognitie en zelferkenning was, waarin de arbeider vermoedde dat hij de stem, de taal en de pretenties van de liefde herkende, intervenieert de reproductie vanwege de toeschouwers, die uitgenodigd worden om op hun beurt hun daad van auto-recognitie te beleven, om te luisteren naar de woorden van het andere, en dat in alle ongerijmdheid, in een chronische en esthetische verwijdering van de eigen stem, mediterend over de mogelijkheid van die woorden om te overtuigen en verder te gaan dan dat het ‘woord genomen’ wordt. De collectivisering van de productiemiddelen wordt tot een collectivisering van het discours, krachtiger omdat degene die het uitspreekt in se niet overtuigend is, zich niet maakt tot wat hij zegt te zijn, en niet naar zichzelf luistert met minder verbazing dan zijn toehoorders. De spreker is niet leugenachtig noch oprecht, maar wat hij zegt is wel waar. En zoals dat in zulke gevallen kan gebeuren spreekt de waarheid door en voor zichzelf. Het discours behoort nog steeds aan iedereen toe, omdat zij in de hoedanigheid van discours niemands eigendom is. Dit alles maakt het mogelijk om het herinneringsbestanddeel van een re-enactment op een radicale wijze te herschrijven: door het woord door en voor de anderen opnieuw op te nemen dat de anderen eerder al door en voor ons opnamen op het forum van hun eigen aanspraken en eisen, zullen we het ons hun woorden niet per se herinneren, maar is het het woord dat ons aan onszelf herinnert.

HET PROJECT
door Roger Bernat

Ongeveer een jaar geleden stelde de kunstenaar Jordi Colomer mij voor om naar aanleiding van een tentoonstelling in het FRAC Basse Normandie in Caen een voorstelling te maken. In die tijd was ik een stuk aan het schrijven voor een perfomer en publiek waarin tussen die twee een dialoog werd gevoerd die ze voorheen niet kenden. Die dialoog was de historische re-enactment van de demonstraties van Numax, gelijkaardig aan historische tableaus. Het verschil met die tableaus van grote veldslagen en bijvoorbeeld de bekende re-enactment van de veldslag van Orgreave van de Britse kunstenaar Jeremy Deller is dat in plaats van het recreëren van de acties van de hoofdrolspelers in de strijd, hun woorden opnieuw tot leven werden gebracht, woorden die de werkelijke actie uitmaken die de bezetting van die fabriek was, de enige ‘actie’ waarvan het politiek gezien zinvol was om hem voor een publiek dat naar een performance kwam kijken te herhalen.

Maanden later brengt de economische crisis die ondertussen is toegeslagen in het zuiden van Europa ons terug naar taferelen zoals we die alleen nog maar kenden uit museumopstellingen in talloze fabrieken in Spanje. Arbeiders die het lot in eigen handen namen zoals bij Numax werden uitgespuugd door het systeem. In november 2013 bracht de sluiting van Fagor, een fabriek voor huishuidapparaten zoals Numax, ons ertoe om naar Mondragón te trekken om de ontslagen arbeiders uit te nodigen een re-enactment van het Numax-verhaal te realiseren. De arbeiders gingen op ons voorstel in en organiseerden een geïmproviseerde demonstratie die we op film konden vastleggen zoals Joaquim Jordà dat in zijn tijd had gedaan. Hoewel het de grootste bijeenkomst was sinds de sluiting van de fabriek, kwamen slechts 80 van de 1800 ontslagen werknemers opdagen.

Terug in Barcelona besloten we oud-arbeiders van Numax uit te nodigen om een re-enactment te organiseren van de bijeenkomsten die zij 35 jaar eerder hadden gehouden. We vroegen hen ook om de bijeenkomsten van Fagor te bekijken die we net hadden gefilmd. Sommige werknemers van Numax waren al dood, anderen wilden niet aan de periode herinnerd worden of waren simpelweg te oud of woonden te ver uit de buurt om op de uitnodiging in te kunnen gaan. Hoe dan ook was er nog veel cohesie in de groep en uiteindelijk daagden een twintigtal arbeiders op.

Zowel in de ervaring met de voormalige werknemers van Fagor als die van Numax confronteert de mise-en-abîme die het project oproept ons met een zekere verloochening. Niemand herkent zich in de woorden van zijn voorganger. De werknemers van Fagor herkennen zich niet in de woorden van arbeiders die voor Numax werkten. De oude werknemers van Numax herkennen zich niet in de woorden van de Fagor-arbeiders. Ze herkennen zichzelf niet eens in hun eigen woorden van 35 jaar geleden. De film van Jordà heeft hen tot helden gedoopt, ze zijn de hoofdrolspelers in een sculpturale compositie van een zeer singuliere gebeurtenis en het is moeilijk zich daarbij in de rol van een held te zien zonder een klein beetje gek te zijn. Toch blijven al deze woorden, zowel die van Numax als die van Fagor, vandaag nog steeds krachtig doorklinken. Ze verspreiden zich, wij verspreiden hen, maar nooit lukt het ze zich te volledig te verwerkelijken waar je dat zou verwachten.

Back to top

Roger Bernat (1968) start studies schilderkunst en architectuur, zonder die te voltooien. In 1996 ontvangt hij de buitengewone prijs van het Institut del Theatre. Sinds 2008 creëert hij voorstellingen waar hij het publiek het podium laat betreden en de hoofdrol laat spelen. “De toeschouwers banen zich een weg door een installatie die hen uitnodigt tot gehoorzaamheid of samenzwering, en hen stimuleert hun eigen lichaam in de weegschaal te leggen”. Tot zijn voorstellingen behoren: Domini Públic (2008), Pura coincidència (2009), Le sacre du printemps (2010) Please Continue: Hamlet (2011), Pending Vote (2012), RE-présentation (2013) en Desplazamiento del Palacio de La Moneda . Die voorstellingen worden in een twintigtal landen opgevoerd. In 2009 publiceert Roger Bernat samen met Ignasi Duarte Querido Público, El espectador ante la participación: jugadores, usuarios, prosumers y fans (een uitgave van het CENDEAC).

Back to top