Leoš Janáček, Zápisník zmizelého, Carnet d'un disparu

Théâtre Varia

16, 17, 18, 20, 21/05 > 00:00
Récit/Recitatief/Recitative: FR
Sous-titres/Ondertitels/Subtitles: NL
Chant/Zang/Singing: Tchèque/Tsjechisch/Czech
Durée/Duur 1:0

Dagboek van een vermiste van de 63-jarige Leoš Janáček kan nog het best omschreven worden als een intiem zelfportret. Hij schreef de compositie in de periode waarin hij de vijfentwintigjarige Kamila ontmoette, zijn grote liefde en de muze van zijn meest vruchtbare periode. In het verhaal van de jongeman die zijn dorp en familie verlaat voor een zigeunermeisje, legt Janáček niet alleen zijn passie voor zijn nieuwe liefde en voor de poëzie van de volkstaal, maar ook voor de piano en de stem. Voor Claude Régy raakt Janáček aan een mysterie dat niet in woorden gevat kan worden. Het gaat er niet om dit te tonen, maar wel om het te laten ontstaan in de ervaring van de toeschouwer.

Mise en scène/Regie/Direction: Claude Régy

Scénographie/Scenografie/Scenography: Daniel Jeanneteau

Eclairages/Lichtontwerp/Lighting design: Dominique Bruguière

Costumes/Kostuums/Costumes: Isabelle Perillat

Assistant à la mise en scène/Regie-assistent/Assistant to the director: Alexandre Barry

Assistant éclairages/Licht-assistent/Lighting assistant: Thierry Fratissier

Directeur technique/Technisch directeur/Technical director: Sallahdyn Kathir

Direction musicale et piano/Muzikale leiding en piano/Musical direction and piano: Alain Planès

Ténor/Tenor: Adrian Thompson

Mezzo-soprano: Hana Minutillo

Trois voix de femmes/Drie vrouwenstemmen/Three female voices: Sophie Marilley, Michelle Sheridan, Anja Van Engeland

Acteurs/Actors: Yann Boudaud, Bénédicte Le Lamer

Editeur/Uitgever/Editor: Artia, Prague

Texte du prologue (traduction française du livret)/Tekst van de proloog (Franse vertaling van het libretto)/Text of the prologue (French translation of the libretto): Eugène Hartman-Moussu

Production/Productie/Production: KunstenFESTIVALdesArts

Coproduction/Coproductie/Coproduction: Culturgest (Lisboa), Les Ateliers Contemporains (Paris), La Monnaie/De Munt (Bruxelles/Brussel), T&M-Nanterre, Centre Musical National d’Orléans, Muziektheater Transparant (Antwerpen)

Avec le soutien de/Met de steun van/Supported by: l'Association Française d'Action Artistique et le service de coopération et d'action culturelle de l'ambassade de France à Bruxelles

Présentation/Presentatie/Presentation: KunstenFESTIVALdesArts

Back to top

In 1917 publiceert een dagblad uit Brno in Tsjechië een reeks gedichten "van de pen van een autodidact". Een redactioneel commentaar vertelt dat een jongeman sinds enige tijd op onverklaarbare wijze uit zijn dorp in de Moravische bergen verdwenen is.

De enige aanwijzing zijn deze gedichten die op zijn kamer werden teruggevonden. Daarin wordt het verhaal verteld van Janik die zijn dorp en zijn familie verlaat uit liefde voor een zigeunermeisje. De legende van de autodidactische dichter is sindsdien intact gebleven, ook al menen sommigen dat de dichter Jan Misarek de auteur is. Wat er ook van zij: de gedichten zijn in de eerste plaats bekend geraakt door de muziek die componist Leoš Janáček erop geschreven heeft. Janáček, medewerker van het dagblad waarin de gedichten verschenen, schreef de muziek tussen 1917-1919 en titelde zijn partituur Zápisník zmizelého (Dagboek van een vermiste). In die periode ontmoette de drieënzestigjarige componist de vijfentwintigjarige Kamila Stösslova, die zijn 'zigeunermeisje' werd. Een ontmoeting die voor het nodige schandaal zorgde en heel wat sociale ophef maakte. Kamila wordt de muze van de tien laatste jaren van Janáčeks leven, zijn meest creatieve periode, waarin hij o.a. de opera's Katia Kabanova, De Affaire Makropoulos en Het Dodenhuis, de Glagolithische Mis, de Sinfonietta, het patriottisch symfonisch gedicht De Ballade van Blanik en vele kleinere muziekstukken componeert.

Voor regisseur Claude Régy en pianist/muzikaal leider Alain Planès, gaat het geenszins om een eenduidige fabel. Janáčeks poëzie is een mengeling van tederheid en wreedheid. Bevrijdt de keuze voor het zigeunermeisje de jongeman uit een verstikkende traditie en een dito geloof? Of geeft hij zijn hele bestaan en identiteit prijs? Claude Régy wijst nog op een ander element: het meisje is zwanger. "Het gaat om een kracht die de menselijke soort dwingt om zich voort te planten, een kracht die het individu en dus de geschiedenis overstijgt." Het persoonlijke lief en leed doen daar weinig toe: "Maar als je de muziek beluistert, dan ontkom je er niet aan een man te horen die over zichzelf spreekt. Het is een innerlijk zelfportret. Alle tegenstrijdige passies zijn in het oeuvre aanwezig."

De gedichten zijn geschreven in een dialect dat erg dicht aanleunt bij het dialect van Janáčeks geboortestreek. De volkstaal en de volksliederen zijn voor de componist een bron van inspiratie geweest. Een zeker nationalisme was Janáček niet vreemd. De dramatische intensiteit en de persoonlijke herkenning van de gedichten waren zo groot dat Janáček nauwelijks iets wijzigde aan de verzen. Claude Régy weigert de omschrijving 'recitatief': "Er is een verrassende relatie tussen lichaam en muzikale schriftuur. Nadat hij heeft ingezien dat het lichaam in de stem zit en de stem in het lichaam – een relatief modern inzicht – werkt Janáček veel met de notie van het onbewuste. De taal zegt niet wat ze wil zeggen, maar laat toe om contact te krijgen. Janáček zegt daarom dat hij iemand beter begrijpt als hij hem of haar heeft horen spreken. Zijn muziek put uit het onbewuste. Hetgeen gezegd wordt, reveleert wat er niet gezegd wordt: op die manier worden de diepste menselijke geheimen aangeraakt. Ik denk dat dit toen iets nieuws was, maar ook iets wat ons nu nog steeds raakt."

Janáčeks compositie bestaat uit 22 secties, waarvan sectie 13, precies in het midden, de meest fascinerende is. Hier geen zang, alleen pianospel. Het is het moment waarop Janik en Zefka elkaar voor het eerst liefhebben. Die passie valt buiten de mogelijkheden van de taal en de zang, alleen de muziek ‘spreekt’. Ook in het gedicht bestaat deze passage enkel uit puntjes. Alain Planès, verantwoordelijk voor de muzikale leiding, ziet in de wijze waarop Janáček de piano gebruikt een breuk met de gebruikelijke romantische interpretatie: "Janáček was niet alleen een pianist, hij speelde ook orgel en harmonium. Hij slaagde erin de piano een rustieke behandeling te geven, als ik dat zo mag uitdrukken. De manier waarop hij het pedaal met de toondempers hanteert en de snaren laat vibreren, creëert een rijke, bijkomende harmonie en doet denken aan het cimbaal, een ancestraal instrument en van groot belang voor Centraal Europa."

Janáček heeft een muziek geschreven die naar de essentie gaat, een minimalisme dat de vernietiging van de opera impliceert: er is geen mise-en-scène, er is geen echt koor, er is geen orkest. Claude Régy, wiens regiewerk zich in het verleden voornamelijk toespitste op het ensceneren van nieuwe theaterschrifturen (onder meer Handke, Strauss, Harrower, Motton en Fosse), is zich meer dan wie ook bewust van de moeilijkheden om het ongrijpbare te ensceneren: "Ik houd me voorlopig aan de suggesties van Janáček zelf. Dat wil zeggen dat alleen de piano en de tenor op de scène aanwezig zullen zijn en dat het zigeunermeisje nauwelijks zichtbaar is, als een soort van verschijning op de steppe. Janáček spreekt ook over licht. Hij heeft het over een clair-obscur. Je hebt de indruk dat hij het erg nachtelijk ziet. Hij spreekt ook over een rode verlichting. Is dat de passie? De ondergaande zon? De ochtend? Het is mogelijk om met die verschillende klimaten te spelen. Maar ik denk dat je niets echt kan representeren. Ik vraag me af of je niet, zoals bij een homeopathische dosis, van tijd tot tijd het begin kan tonen van een beeld dat niet eindigt. Iets wat nauwelijks waargenomen kan worden. Maar eigenlijk moet je de muziek zelf de lichamen laten oproepen in de verbeelding van de toeschouwers. Het is een tussengebied waarin we ons als makers bevinden, een zone tussen maken en niet-maken, tussen doen en niet-doen, tussen tonen en niet-tonen."

Back to top