Io sono Rocco

Théâtre Varia
  • 26/05 | 20:30
  • 27/05 | 20:30
  • 28/05 | 20:30

€ 16 / € 13
1h

Ontmoet de kunstenaars na de voorstelling op 27/05

Theatermaker Salvatore Calcagno werd geboren in La Louvière in een familie met Siciliaanse roots. Zijn werk heeft steeds een autobiografische insteek, maar Calcagno overstijgt het zuiver neorealistische portret van het alledaagse leven door een gemillimeterde schrijfstijl en een bijna obsessieve aandacht voor ritme, kleur, licht en detail. In Calcagno’s theater primeert de lichaamstaal op het gesproken woord. Op het Kunstenfestivaldesarts zet hij een stap vooruit en creëert een kameropera annex gebarentheater met een pasoliniaanse toets. Toen zijn vader overleed, ontdekte Calcagno bij hem thuis een reeks oude platen van Ennio Morricone, de wereldberoemde Italiaanse componist van filmmuziek. Met de muziek van Morricone als vertrekpunt creëert Calcagno een ‘gefantaseerd, gechoreografeerd dagboek’, waarin zijn eigen verdriet in het hart van de dramaturgie ligt. Io sono Rocco, een aantrekkelijke tweestrijd tussen de dood en de schoonheid.

Regie & scenografie
Salvatore Calcagno

Met
Axel Ibot, Elise Caluwaerts, Chloé de Grom

Compositie & arrangementen
Angelo Guttadauria

Belichting
Amélie Géhin

Technische leiding
Kevin Sage

Artistiek advies
Émilie Flamant, Douglas Grauwels, Antoine Neufmars

Make-up
Edwina Calcagno

Kostuums
Atelier costume Théâtre Varia

Internationale boekingen
Apropic/Line Rousseau

Producent
Gabrielle Dailly

Met dank aan
Claude Schmitz, Pàtryk Wwhassenhov

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Théâtre Varia

Productie
Garçon Garçon asbl

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts, Théâtre de Liège, Théâtre Varia, Charleroi Danses, Maison de la Culture de Tournai / Next Festival

Met de steun van
Festival Actoral, Théâtre de Vanves - Scène conventionnée pour la danse, WBT/D, Istituto italiano di Cultura in Brussels

Met dank aan
Théâtre Les Tanneurs, Théâtre Océan Nord & [e]utopia voor de technische ondersteuning

Back to top

Gesprek met Salvatore Calcagno

Laten we het hebben over de ontstaansgeschiedenis, nog voor het INSAS en je eerste twee stukken, La Vecchia Vacca (2013) en Le garçon de la piscine (2014). Je kwam bij het theater uit via een omweg van film, muziek en de dansvoorstellingen die je met je zus ging zien. Voelde je je al op jonge leeftijd aangetrokken door de podiumkunsten?
Door zelf een instrument te spelen en concerten te bezoeken kwam ik erachter dat ik mijn eigen muziek kon maken, met mijn eigen ritmes. Maar ze bleef in mijn hoofd steken. De film deed me het beeld en de emoties ontdekken. Ik herinner me de westerns die aan een stuk door werden uitgezonden op een Italiaanse televisiezender die we thuis in Italië en in België ontvingen. Mijn ouders waren gevoelig voor spektakel, voor komedie en voor schoonheid. De actrices en de acteurs moesten mooi zijn. Ze waren dol op Ornella Muti en Claudia Cardinale. In het theater ontdekte ik het podium. Ik zag de dansvoorstellingen van Béjart in Brussel en ook die van mijn zus. Zodra ik begreep dat je op het podium iets kon overbrengen dat bijkomende emoties teweegbracht, wou ik mijn eigen voorstellingen creëren. Ik was toen twaalf. Ik zag beelden in mijn hoofd: iemand die over een podium wandelt, een ander met prachtige kleren die om zijn as staat te draaien. Die beelden waren toen al heel esthetiserend.

Van welke films, welke muziek, welke stukken hield je toen?
Ik hield van ‘spectaculaire’ stukken. Vandaag vertrek ik graag van het piepkleine om dan naar het grote te gaan – van het micro- naar het macroniveau… Ik hield van films die gingen over sensualiteit en verlangen – dat vind je overigens terug in mijn toneelstukken – maar dan wel vanuit een spel met de camera (Pier Paolo Pasolini’s inzoomen op een spijkerbroek), vanuit buitenopnames (de regen, de wind, de zon), of vanuit het spel van de acteurs. Een soort harmonie die moeilijk uit te leggen valt, want ik ben er nog steeds naar op zoek. Ik luisterde naar allerlei soorten muziek, maar was wel bijzonder gefascineerd door de popmuziek en haar hits. Een hit is een hit omdat hij op een bepaalde manier is opgebouwd. En dat is voor iedere periode anders. Je hebt de hits van de jaren ‘80, die van de jaren ‘90, die van de jaren 2000. Ik had veel aandacht voor de opbouw van het werk. Nadien kreeg ik belangstelling voor de kwetsbaarheid van de acteur voor de camera, voor het verlangen dat zijn blik doet oplichten, voor zijn koorts, zijn manier om voor de camera te staan, zoals je bij Maurice Pialat of Jean-Luc Godard ziet… Het zijn grote cineasten die in staat zijn om vast te leggen wat aan de opbouw van het beeld ontsnapt: de schoonheid van de acteur. Een acteur zover krijgen je dat te geven, dat is iets bijzonders. In het theater is het lastiger. Je kan niets vasthouden. Niets is te vangen. Theater is de kunst van de vluchtigheid.

Io sono Rocco is wellicht je meest persoonlijke werk. Het is een erg ontroerende fabel over leven en dood, over de herinnering van het kind. Het stuk heeft een soort ernst die niet in je vorige stukken voorkwam. Met welke instelling ben je eraan begonnen?
Io sono Rocco is op een vreemde manier tot stand gekomen. Het werk is voortgekomen uit een verlies: dat van mijn vader en van de slachtoffers van de aanslagen in Parijs en Brussel. Het verlies lokte een woede uit en een behoefte om duidelijk te maken dat ik wel degelijk in leven en niet bang was, hoewel ik me erg kwetsbaar voelde. Dat is wat ik in Io sono Rocco probeer te vatten. In dit werk heb ik mijn eigen concrete gevoelens onderworpen aan een soort abstractie; het vereist een aanpak met extreem veel aandacht voor het gevoel. Daarom is het mijn meest persoonlijke werk. En ook aan de vertolkers vraag ik om heel persoonlijke gevoelens op te roepen. Er zit ook een stuk tragiek in, maar ze doet een beroep op het leven. Naar mijn mening komt dit in de films van Charlie Chaplin en Buster Keaton het best tot uiting. Die films zijn tegelijk tragisch en komisch. Voordat mijn vader overleed heb ik hem beloofd een film te draaien of een voorstelling te maken waarvan hij de held zou zijn, met heel mooie muziek en met mooie acteurs. Hij is Rocco. Maar ik ben hem ook een beetje. Momenteel werken we aan het tweede tafereel, dat van het duel tussen Rocco en de Dood. Wanneer ik Chloé de Grom en Axel Ibot zie spelen, dan zie ik ook een soort liefdesverhaal ontstaan. Ik vind alle vormen van strijd tegen de dood fantastisch. Ik ken dat gevoel. De strijd tegen de dood lijkt op een liefdesverhaal. Het is ingewikkeld, het is moeilijk, maar ook mooi. Toen ik mijn vader zag gaan, kwam de stilte – een immense stilte, tegelijk tragisch en fantastisch. Daarom mag men de dood niet demoniseren. Er is vaak niet zo’n grote afstand tussen lelijkheid en schoonheid. Het zijn heel abstracte ervaringen die je moeilijk in woorden kan vatten. Alleen het podium geeft me die mogelijkheid. De bedoeling van Io sono Rocco is de afwezigheid (opnieuw) aanwezig te maken. Behalve dan, in dit geval, dat Rocco de held is en dat hij overwint. De personages spreken niet. Hun stilte heerst, maar tegelijkertijd is die stilte heel doorleefd. En in die stilte reist de muziek.

Het uitgangspunt van je stuk La Vecchia Vacca zoekt de schoonheid van het moederschap op. Le garçon de la piscine zoekt het geheim van de erotiek op. Wat is het uitgangspunt van Io sono Rocco? Is het ook een zoeken? Je legt er immers de nadruk op dat het stuk in opbouw is, dat het een doos met ervaringen is.
Het eerste uitgangspunt van Io sono Rocco is dat van het zoeken. Toen Christophe Slagmuylder mij voorstelde om in 2016 aan het Kunstenfestivaldesarts deel te nemen, vroeg hij me wat ik wou maken. Ik wist het niet. Tijdens onze gesprekken wees hij me op het belang van muziek en het lichaam in La Vecchia Vacca en Le garçon de la piscine. Hij suggereerde om met een danser en een operazangeres te werken. Ik ben daarin meegegaan en heb besloten om te experimenteren. Io sono Rocco is minder een voorstelling dan een hoop onderzoeksfragmenten, zelfs van fragmenten van emoties. Het experimenteren valt zwaar, maar is tegelijk fascinerend. Het is een kans. Daarna is het tweede uitgangspunt, vanzelfsprekend, dat van de stilte.

Io sono Rocco gaat ook over de drievuldigheid. Er zijn drie figuren: de moeder (Elise Caluwaerts, de coloratuursopraan), de Dood (Chloé de Grom, de actrice) en Rocco (Axel Ibot, de danser). Ze dragen ficties mee: de angst, het leven, de strijd, de bescherming, enzovoort. Het stuk bestaat ook uit drie taferelen. Het kan de vergelijking aan met de sonatevorm: eerst is er de expositie van het thema, dan de doorwerking en ten slotte de reprise. Op welk principe berust de regie van de drie taferelen?
Vandaag is het eerste tafereel dat van het ‘verdriet’, van de moeder. Het tweede tafereel is dat van het ‘duel’, tussen de Dood en Rocco. En het derde tafereel is dat van het ‘dolen’ met Rocco en zeker ook zijn moeder. Io sono Rocco is een lus. Het derde tafereel is moeilijker te maken omdat het uit zichzelf moet komen. Het is het tafereel van het loslaten en van de uitputting. Ik werk er intensief aan met Axel Ibot, door hem een afwisseling van muziek- en rustmomenten op te leggen. Ikzelf laat het ook los, zodat het kan ‘leven’ en er emotie uit kan groeien. Ik ben volop aan het zoeken naar het principe van de regie. Maar van een ding ben ik zeker: het moet voortvloeien uit het object – de platenspeler, de lp’s en de cd’s die mijn vader bezat. En het kraken van de vinylplaat is de leidraad. Dat is een klank die niet verveelt. Het weerklinkt lang. En het is de klinische stilte, dat ook.

Het is een bijzondere ervaring je te zien werken. Je hanteert een vreemde mengeling van persoonlijke creativiteit en van georganiseerde ijzeren discipline. Jij bedenkt alles en achter je staat een heel leger aan medewerkers klaar.
De medewerkers zijn belangrijk, omdat het werkproces daardoor kan ontspannen. Angelo Guttadauria, een jeugdvriend uit La Louvière, is rockmuzikant en geluidsontwerper. Het toneel is hem totaal vreemd, maar hij voelt goed aan welke wereld ik wil creëren omdat we in dezelfde stad opgroeiden. Hij kan dus zonder moeite een muzikale dramaturgie ondersteunen, zowel op het vlak van het ritme als van het lichaam. Ik vraag hem bepaalde muziekfragmenten te maken met dit of dat instrument. Dan ontleedt hij samen met mij bestaande muziekfragmenten en wijst hij me, bijvoorbeeld, op het belang van een trompetgeluid en de noodzaak om dat op het podium en in het lichaam van de acteur tot leven te brengen. Hij helpt ons het juiste ritme te vinden. Zo heb ik hem, tijdens de repetitie die je bijwoonde, gevraagd om een heel duidelijk ritme uit te werken dat overeenkomt met een moment in het tweede tafereel, dat van de ontspanning van het lichaam. Antoine Neufmars werkt op de beelddramaturgie: het vormgeven van het beeld en de kleuren. Hij brengt veel bij. Zijn kijk op alle visuele elementen die de voorstelling maken is heel verrijkend. De beelddramaturgie is belangrijk omdat ze zintuiglijke ervaringen oproept. En ons zoeken is een gevoelsmatige onderneming. Douglas Grauwels is de dramaturg, maar hij is niet de schrijver van het stuk. Hij is nooit aanwezig bij het begin van de repetities; hij komt er op een bepaald moment bij, zonder voorkennis, en kijkt dan naar het geheel. We hebben al samengewerkt tijdens mijn twee vorige voorstellingen. Hij weet precies waar ik heen wil. Émilie Flamant is mijn belangrijkste medewerkster, al sinds het begin. Zij zorgt ervoor dat ik niet verdwaal en dat ik aan mezelf trouw blijf. En dat is des te belangrijker omdat het Kunstenfestivaldesarts veel belang hecht aan wat een kunstenaar bijzonder maakt, aan wat hij is. En ze is zelf actrice; we hebben al eerder samengewerkt. Ze is extreem gevoelig. En ze reageert met haar gevoel. Ze heeft lak aan dramaturgie. Wat haar interesseert is het hart van de voorstelling. Ze vertrouwt veel op de eerste intenties, die vaak de beste zijn. Émilie Flamant is de eerste persoon met wie ik over een nieuw project praat. Amélie Géhin zorgt voor het licht. Dat creëert ze door het proces te observeren, door specifieke beelden op te roepen. Ze streelt de lichamen. Het is erg ingewikkeld om de kleuren te vinden die ik op het podium wil zien. Bijvoorbeeld: in een film kan je eenvoudiger dan op het toneel een gezicht quasi perfect in het halfduister belichten en met hyperrealisme spelen. De kostuums, tot slot, zijn tegelijk doodgewoon en symbolisch. Maar het is nog te vroeg om daarover te praten.

De choreografie in Io sono Rocco is bijzonder omdat er een grote nadruk ligt op de specifieke opbouw van de bewegingen van de vertolkers. Ze komt in de buurt van de pantomime en het mimedrama – bijna oubollige, door de tijd opgeslokte kunstvormen die men vandaag de dag nog weinig op de scène ziet. Het geheel komt dromerig over, heeft iets mythisch. Met die keuze lijk je een nieuwe richting in te slaan.
Voor mij is het minder een nieuwe richting dan het voortzetten van een uitgangspunt. In La Vecchia Vacca zat al een stukje pantomime. Ik plaats de taal ter hoogte van het lichaam. Ook ben ik erg geïnteresseerd in het alledaagse gebaar; hoe het zich ontwikkelt, hoe het subliem en mythisch wordt. Ons onderzoek is sterk verankerd in het dagdagelijkse, met name aan de hand van zeer concrete handelingen. Zo kan ik bijvoorbeeld Elise Caluwaerts de volgende instructies geven: ‘Je bent in je slaapkamer, je doet je sportschoenen aan, je steekt een sigaret op. Je worstelt met een stukje flosdraad.’ Het interessantste is wanneer je een handeling tot het uiterste doorontwikkelt en dan kijkt wat er overblijft. Vaak ontstaan dan monsters. En daaruit vloeit de mythische eigenschap voort. Ik kijk graag naar de uitbundigheid, de poëzie en de grofheid van het concrete gebaar op de scène. De choreografie krijgt gaandeweg vorm, zonder dat ik er echt naar op zoek ben. Ik heb er geen enkele voorbereid. Ze krijgt vorm omdat we haar uitwerken, uitwerken en nog eens uitwerken. Omdat we voelen dat ze nog een ontspanningsmoment nodig heeft, of een ademhaling kan gebruiken. De choreografie sluit aan op de tijdsruimte van de muziek. Het was de uiterste vereiste voor Io sono Rocco. Voor mijn gevoel verenigt de pantomime drie fundamentele elementen: stilte, poëzie en absurditeit. Ze is de perfecte vorm voor Io sono Rocco. Ze wordt ‘verhedendaagsd’ in het licht van de context en in de manier waarop ze gestalte krijgt. Pantomime is een heel poëtische vorm, ze herinnert aan sommige films van Jean Cocteau of van Marcel Carné. Ze kan heel ver gaan in het detail, in het absurde, in de waanzin.

De duelscène tussen Rocco en de Dood is tegelijk stralend, sensueel, zwanger van gevaar en politiek. Men zou er een metafoor van de weerstand in kunnen zien: Io sono Rocco, Je suis Rocco, Je suis Charlie, Jesuis Bruxelles.
In het stuk zijn codes verwerkt die ontstaan zijn uit de aanslagen in Parijs en Brussel. En die boeien mij. In Io sono Rocco heeft de Dood verscheidene gezichten en kostuums. Vandaag koestert iedereen argwaan tegenover iedereen. Dat is een feit. In de regie wil ik dat noch benadrukken noch ontkennen. Ik hou er alleen rekening mee. De voorstelling is politiek, maar ze is dat binnen het kader van de poëzie. Er bestaan andere codes. Na een dramatische gebeurtenis is er altijd de behoefte om die te dedramatiseren, tot aan het groteske toe, om haar draaglijk te maken. In het stuk gebruik ik dat procedé veelvuldig.

Je stukken zijn erg muzikaal. Op welke manier inspireert muziek je?
Muziek in al haar diversiteit roept kleuren op, duidelijke of herkenbare kleuren, die rechtstreeks in verbinding staan met beelden en emoties. Die kun je inzetten in een voorstelling. En in hun kielzog roept ze nog meer beelden op. Een voorbeeld: er zijn geen paarden op de scène, maar ze zijn er toch, omdat de muziek hun aanwezigheid oproept. De bedoeling is een reis te maken. En muziek maakt dat mogelijk. In Io sono Rocco vervul ik mijn plicht als zoon, als regisseur, als zoon en regisseur, om de muziek die mijn vader me naliet op mijn manier te interpreteren.

Wat is je eerste muzikale herinnering?
Zonder aarzelen het deuntje van de ijsjesverkoper uit mijn kindertijd. Daarna komt alle Italiaanse muziek uit de jaren 1950. Ik hou erg van het nummer Cento Giorni van Caterina Caselli.

Gesprek opgetekend door Sylvia Botella
Brussel, 2 mei 2016
Vertaling: Maxime Schouppe

Back to top

Salvatore Calcagno (1990) is geboren La Louvière. In zijn kindertijd reisde hij heen en weer tussen Sicilië en België. Zijn eerste interesse ging naar muziek, meer bepaald zang, gitaar en piano. Hij koos echter voor het theatre om ten volle uiting te geven aan zijn persoonlijke obsessies over beeld en ritme. In 2012 studeerde hij als regisseur af aan het INSAS (Institut National des Arts du Spectacle) en kreeg bij die gelegenheid de Prix Marie- Paule Delvaux Godenne. In 2013 creëerde hij zijn eerste stuk, La Vecchia Vacca, waarmee hij onderscheiden werd als ‘Meilleure découverte de l’année 2013’ naar aanleiding van de Prix de la Critique Belge, en als ‘Meilleure production hors Québec’ door het ACQT. In 2014 bracht hij met Le Garçon de la piscine een ode aan de jeugd van vandaag. In 2016 creëert Calcagno voor het Kunstenfestivaldesarts Io sono Rocco, een ‘gedanst en gefantaseerd hoofdstuk uit zijn dagboek’. Calcagno werkt ook als tekstschrijver, zoals voor Après la peur van Armel Roussel in 2015. Met acteur Dany Boudreault maakte hij een voorstelling in een hotelkamer, Sarà perché ti amo. Calcagno regisseert eveneens teksten van anderen, zoals voor zijn volgende theaterproject: de La Voix humaine van Jean Cocteau.

Back to top