Ich schau dir in die Augen, gesellschaftlicher Verblendungszusammenhang!

KVS_BOL

13, 14, 15/05 – 20:00
DE > FR / NL
1h 30 min

Zonder René Pollesch zou het theater in Berlijn niet zijn wat het is. De auteur-regisseur is al jarenlang één van de artistieke leiders van de Volksbühne, waar zijn creaties keer op keer op gejubel onthaald worden. Met een schreeuwerige drive spuwt zijn imposante acteursensemble radicale teksten uit over ons neoliberaal bestaan in een overweldigende theaterbelevenis. Ich schau dir in die Augen ..., dat onthaald werd als één van de boeiendste stukken van het voorbije seizoen in Berlijn, is een verrassing in Pollesch’ productieve carrière. De tekst werd speciaal geschreven voor acteur Fabian Hinrichs en toont een bijzonder intieme kant van auteur én muze, al is ook daar de kritische bevraging van wat zich als realiteit aandient, nooit ver weg. In zijn monoloog steekt Hinrichs de draak met het interactieve theater. Hij analyseert onze behoefte aan gemeenschap en gemeenschappelijkheid en hij legt onze onmogelijke omgang met de vergankelijkheid van ons lichaam bloot. Qua speelstijl passeren zowat alle tradities de revue: van postmodern afstandelijk spel tot scènes waarin Hinrichs zich ontpopt tot stand-up comedian-met-grote-bek, om te eindigen als kwetsbare, kleine performer. Chapeau!

Tekst & regie
René Pollesch

Met
Fabian Hinrichs

Decor & kostuums
Bert Neumann

Accessoires
Karin Hornemann

Kleedster
Manon Duursma-Ford

Lichtontwerp
Frank Novak

Dramaturgie
Aenne Quinones

Geluid
Christopher von Nathusius, William Minke

Toneelmeester
Alexandra Bentele

Prompter
Katharina Popov

Techniek & productieleiding
Simon Behringer

Technicus
Frank Meißner, Marco Vallentin, Udo Hanke, Georg Heinrich

Assistent regie
Marion Levy

Assistent scenografie
Edwin Bustamante

Assistent kostuums
Teresa Tober

Assistentie
Kasper Scholten, Katharina Sendfeld

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, KVS

Productie
Volksbühne am Rosa-Luxemburg-Platz (Berlijn)

Met de steun van
Goethe-Institut Brüssel

Back to top

De homo universalis

De acteur Fabian Hinrichs laat in de Berlijnse Volksbühne René Pollesch’ monoloog Ich schau dir in die Augen, gesellschaftlicher Verblendungszusammenhang! gloeien.
door Tom Mustroph

Fabian Hinrichs is een homo universalis. Of hij is goed op weg naar een hedendaagse invulling van het nu bovenmaats groot lijkende renaissance-ideaal van de zoekende, onderzoekende, zingende, dansende en kritische mens die zelfs in het kleinste detail de grote samenhang niet uit het oog verliest.

Als zo iemand verovert hij nu in Ich schau dir in die Augen, gesellschaftlicher Verblendungszusammenhang! (Ik kijk je in de ogen, maatschappelijke verblindingscontext) de Volksbühne, het theaterhuis dat hij vijf jaar geleden verliet. Afgezien van het kernteam rond schrijver en regisseur René Pollesch, scenograaf Bert Neumann en dramaturge Aenne Quinones had niemand gedacht dat die slanke, slungelachtige, in jeans en een geruit hemd geklede figuur die in het begin van het stuk uit het publiek komt en op de scene stapt een hele avond dragen kan. Maar Hinrichs krijgt het voor elkaar. Want hij is ondertussen zoveel meer dan een acteur. Hij is een denker die voor woorden en inzichten vecht, die zijn lichaam niet spaart en gebruik maakt van zijn kunde als toneelspeler. Hinrichs befaamde monoloog Aug’ in Aug’ met de door Pollesch graag gebruikte categorie van de maatschappelijke verblindingscontext veroorzaakte een vloedgolf van lovende kritieken. Er is sprake van een “ongelofelijk/schandalig grote theateravond” en een “unieke gebeurtenis”. Het stuk is “eminent politiek”, door een “toffe priester” vertolkt en werpt een blik op de “metafysische afgrond”.

Wat Hinrichs’ spel betreft, zijn die superlatieven op hun plaats. Want de intensiteit waarmee deze soms zo onhandig overkomende mens zijn lichaam in de strijd om waarheid en voorstelbaarheid werpt, is buitengewoon. Hinrichs is rusteloos. Hij schiet heen en weer tussen drumstel, boekenkist met de typisch gele Reclam-boekjes met de klassiekers uit de wereldliteratuur en de plaats waar zijn gitaar staat. In het begin denk je dat dit actionisme een product is van zijn eigen angst tegenover de grote opdracht, maar al vlug ben je onder de indruk van de soevereiniteit waarmee deze mens de scene uitmeet, grijpt en ermee een wordt. Het podium is het resonantielichaam van deze derwisj. Hij is er zo mee vertrouwd dat hij het podium ook in verticale richting gebruikt. Hinrichs hangt zich aan een reusachtige lichtkegel en stijgt op tot in de nok van het podium. Van daaruit bekijkt hij het publiek waaruit hij zich in het begin van de voorstelling heeft losgemaakt. Hij is een ceremoniemeester die de hoogte proeft zonder te verhullen dat hij zelf uit de vlakte komt. Zijn omgang met de tekst die René Pollesch voor hem schreef, wint door deze expliciete lotsverbondenheid aan oprechtheid.

Uit alles wat Hinrichs die avond onderneemt spreekt de boodschap: hier is iemand op een ontdekkingsreis die ook hemzelf verandert. “Ik weet vooraf ook niet hoe de avond zal worden. Natuurlijk weet ik wat ik zal doen en houd ik er mijn hoofd bij. Een heet hart en een koel hoofd, zou men kunnen zeggen als dat niet zo’n afgezaagde uitdrukking zou zijn. Maar wat daar ontstaat op het podium, in samenspel met de toeschouwers is als een roes, als een spirituele belevenis die ik niet heb als ik alleen thuis ben.” vertelt Hinrichs. Hij zoekt deze high op en zoekt het steeds nieuwe erin, zoals hij in zijn eigen leven altijd op weg is naar nieuwe plaatsen en ervaringen.

Dat hij graag grenzen overschrijdt blijkt ook uit kleine details zoals de plaats van ons gesprek. Hij kiest geen hip café in Berlin-Mitte of Prenzlauer Berg, maar een etablissement dat nog echt ‘Kaffee’ heet, vol oude mensen en toeristen aan de Kurfürstendamm met rode pluche en namaakgoud. “Ik ben hier graag omdat de mensen hier anders zijn en over andere dingen praten. Ik heb die milieuwissel nodig,” verklaart hij en voegt eraan toe dat hij daarom ook hotellobby’s opzoekt of een Aziatische snackbar aan de Potsdamer Platz, waar alleen Aziatische toeristengroepen komen.

Zijn geliefde vreemde plaats is tegenwoordig het Otto-Suhr-Institut aan de Freien Universität Berlin in het burgerlijke stadsdeel Dahlem. Daar heeft de succesrijke toneel- en filmacteur (hij speelde onder andere Hans Scholl in de Oscar-genomineerde film Sophie Scholl – Die letzten Tage) zich ingeschreven als student in de politieke wetenschappen. “Ik doe dat voor mezelf. De meeste anderen doen het voor hun beroep of om een diploma te halen maar niet omdat het hen interesseert. Ik hoef niet naar een einde toe te werken. Dat is plezant.” Hij schept een duivels genoegen in het uitbreken uit de ons opgelegde en zogezegd noodzakelijke specialisatiedrang en stort zich met verve als een 15 jaar jongere eerstejaarsstudent op de werken van de antieke en moderne filosofen. Hij vindt daar gedachten van volledige en rijke mensen die hij in het gesprek verweeft als rechtstreeks citaat of als aan Brecht of Hemingway ontleende formule voor een leven vol boksen, met de fiets rijden, boeken lezen en met een vrouw slapen of als een kindertijd gevuld met het hele panorama van Matchboxauto’s, voetbal en spelen of nog toegepast of het schrijven van verhalen. “De verarming is pas later gekomen”, stelt hij vast. En hij verweert zich daartegen door over Weerstand bij Foucault te lezen.

Op de filmset leest Hinrichs al zittend. Als het voor hemzelf is, gaat hij bij het lezen en leest hij al gaande. Deze intellectuele motoriek zit ook in het werk dat hij met regisseur Laurent Chétouane realiseerde. Onder leiding van deze uit Frankrijk afkomstige ingenieur doorliep hij in Keulen de hele Hamlet, alle stemmen, alle rollen, en maakte zich het stuk zo eigen.

Nu bij Pollesch verspreidt hij de onverholen tegenwoordigheid. Hij praat over Bretton Woods in 1971 en de loskoppeling van de financiële markten van het goud, wat volgens velen tot de jongste crisissen heeft geleid. Later leeft hij zich volledig uit in Pollesch’ zinnen over de interpassiviteitstheorie van Robert Pfaller. Ze lijken hem als een tweede huid te passen. Soms hanteert hij een declamatiestijl die de gedachten in melodische golven uitstuurt. Dan weer trekt hij aan de woorden, als waren ze iets vreemds, een dier waarmee je moet vechten. En af en toe zitten ze heel diep in hem. Als hij worstelt met de dichotomie tussen lichaam en geest, lijkt hij zijn eigen huid af te stropen en in zijn eigen vlees te willen binnendringen. Op een ander moment, als Hinrichs Polleschs bedenkingen over de terugtrekking van het politieke “ook uit jou” vertolkt, vertaalt hij die in een spelletje tafeltennis met de geluidstechnicus. Die wil zelfs tijdens het spel de woorden met de microfoonarm vangen. Maar nu zwijgt Hinrichs. En speelt. Enkel het geluid van het pingpongballetje is te horen. Het is aan de toeschouwer om het laatste restje van het politieke te herkennen in het van links naar rechts gedreven witte balletje, op de tafel of in de lucht, achternagezeten door de microfoonarm op zoek naar geluidsgolven.

“Toen ik tijdens het joggen de tekst over het politieke dat zich ook uit jou heeft teruggetrokken aan het leren was, zag ik mensen tafeltennis spelen. Dat kwam zo onpolitiek bij me over. Geef me een tennistafel, zei ik tijdens de repetities, en zo is het beeld ontstaan.”, vertelt Hinrichs. Hij benadrukt dat het stuk een gemeenschappelijk werk is. “René geeft de tekst. Ik geef mijn lichaam. Dat is de afspraak. Hij zet niks in scène. Maar bij wat ik doe, word ik door zijn aanwezigheid beïnvloed. Zo voert hij dan toch de regie. Maar het belangrijkste is: uit mijn en zijn werk onstaat iets nieuws. En dat is grandioos.”

Met regisseurs die bevelen wil Hinrichs niets te maken hebben. “Ik beveel toch ook niemand iets. Ik ben autonoom. En de anderen zijn ook autonoom.”.

Op die manier is ook het sleutelmoment van de voorstelling ontstaan, een song met als refrein “Nu zijn we eindelijk van de dingen bevrijd die we lief hebben.” Pollesch zorgde voor de tekst, Hinrichs voor de melodie en het klinkt als de coverversie van een Blumfeld-song. Hinrichs herhaalt de zin, tot hij zich in je hersenen boort en men zich daadwerkelijk afvraagt of je pas echt vrij kan zijn als je bevrijd bent van hetgeen waaraan de liefde je bindt. En je staat versteld over de carrière die de liefde heeft afgelegd; dat je enkel door afscheid van haar te nemen, vrij kan zijn.

Fabian Hinrichs zou zelf graag van het verlangen bevrijd zijn ergens anders heen te willen en iets anders te doen. Hij wil nog meer in het heden zijn. Dat is een verrassende vaststelling bij een acteur die bij het betreden van het podium in een arena van het hier en nu verandert. Met René Pollesch, wiens theater zich door dit werk sterk heeft veranderd, zal Hinrichs in de nabije toekomst verder samenwerken. Ook met Laurent Chétouane en de uit zijn thuisstad Hamburg afkomstige podiumpunk Schorsch Kamerun wil hij blijven samenwerken. Fabian Hinrichs heeft weliswaar geen ‘old school’regisseurs nodig, maar iemand die van buitenaf toekijkt en met wie hij door vriendschap en intuïtieve verstandhouding verbonden is, beschouwt hij als een aanwinst voor het leven.

Zijn ontdekkingsreizen zet Hinrichs in de toekomst ook in een zelf vormgegeven format verder. In de Berlijnse Sophiensäle zal hij opgenomen lezingen naspelen. “Inclusief elke kuch, elke verspreking, elk slokje water”. Titel, inhoud en de naam van de oorspronkelijke spreker verraadt Hinrichs niet. De luisteraars/kijkers moeten zich niet aan een naam vasthouden; de woorden moeten voelen alsof ze voor het eerst gezegd worden.

Een nieuw begin bij de Volksbühne kan hij zich ook goed voorstellen. “Het hangt van de voorwaarden af”, zegt hij. De gewrongen manier waarop hij eraan toevoegt: “Bij een echte breuk wil ik erbij zijn”, laat de pijn vermoeden die het uiteenvallen van het ensemble ook bij hem heeft achtergelaten. Tegenwoordig houdt hij zich aan Machiavelli’s stelling van de cycli van de staat: opgang, bloei, en verval. Waarom zou deze opeenvolging ook niet voor het theater gelden? Misschien stoot de student politieke wetenschappen bij zijn lectuur van de oude theoreticus van de macht zelfs op een manier waarop de afgang in opgang kan worden omgezet. In een tot nu toe eerder saai Volksbühne-seizoen is de avond van Fabian Hinrichs en René Pollesch een schitterend lichtbaken.

Eerder verschenen in Theater der Zeit (°3, maart 2010)
Vertaling: Joris Vermeir

Back to top

René Pollesch (°1962) is een Duits dramaturg en theaterregisseur. Hij volgde een opleiding dramatische kunsten in Giessen en werkte mee aan voorstellingen van onder andere Heiner Müller, George Tabori en John Jesurun. Na een aantal ensceneringen van eigen werk en andere stukken aan de Probebühne in Giessen, begon Pollesch te werken met zijn eigen gezelschap in Frankenthal en maakte hij zijn eerste werk in opdracht van het Theater am Turm in Frankfurt. Vanaf 2001-2002 werd Pollesch artistiek directeur van de Prater, de kleine zaal van de Volksbühne in Berlijn. Hij creëerde er in samenwerking met scenograaf Bert Neumann onder andere Stadt als Beute (2001), Insourcung des Zuhause-Menschen in Scheiss-Hotels (2002), Sex (2002) en 24 Stunden sind kein Tag, Escape from New-York en Freedom and beauty and love (2003-2004).

Back to top