Gala

Verschillende locaties in de stad

1h 15min
FR / NL

Zinnema
8/05 – 20:30
9/05 – 20:30
Kaaitheater
28/05 – 20:30
29/05 – 20:30
30/05 – 20:30

Jérôme Bel is bezig aan een reeks voorstellingen onder de noemer Gala. Overal waar hij komt, brengt hij een twintigtal personen – professionele dansers en acteurs, maar ook amateurs – samen om een stuk te maken. Bel wil een bonte mengelmoes van mensen, vormen en culturen in de verf zetten op het podium. Zijn werk gaat over het verlangen om op een podium te staan en iets te delen met het publiek. Door hun onhandige oprechtheid en overdreven inzet creëren de deelnemers iets wat veel weg heeft van een eindejaarsgala. Maar dan een dat de codes van de podiumkunsten in vraag stelt en de manier waarop het theater in onze lichamen en hoofden leeft. De deelnemers stellen zich voor, eigenen zich dansbewegingen toe, spelen stukjes uit onze gedeelde cultuur, enzovoort. Om het met Samuel Beckett te zeggen: “Try again, fail again, fail better.” Of zoals William Forsythe schreef: “Het ballet is een filosofie van de mislukking.” Het gaat hier niet om het bereiken van excellentie of virtuositeit, maar om het beste te doen met de middelen die we hebben. Gala is een liefdesverklaring aan de podiumkunsten.

Concept & regie
Jérôme Bel

Met
Esther Cloet, Chen Wei Lee, Tiran Willemse, Jared Onyango, Gabel Eiben, Anne Thuot, Sarah Baur, Oscar Noël, Viggo Maris, Sankisha Kazadi, Liza Vandendempt, Octavia De Buysscher, Annette Baussart, Christiane Gabriels, Rahmani Halima, Jolien Jaspers, Jessie Boel, Razia Alibhai, Jan Vanderlaenen

Assistentie
Maxime Kurvers, Simone Truong

Artistiek advies & ontwikkeling
Rebecca Lee

Administratie
Sandro Grando

Technische leiding
Gilles Gentner

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Zinnema, Kaaitheater

Productie
R.B. Jérôme Bel (Parijs)

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts in samenwerking met Zinnema, TheatreWorks/72-13 (Singapore), Festival d’Automne à Paris, Nanterre-Amandiers Centre Dramatique National, Théâtre de la Ville (Parijs), Dance Umbrella (Londen), Tanzquartier Wien, HAU Hebbel am Ufer (Berlijn), Fondazione La Biennale di Venezia, BIT Teatergarsjen (Bergen), La Commune Centre dramatique national d’Aubervilliers, Tanzhaus nrw (Düsseldorf), Theater Chur (Chur) & TAK Theater Liechtenstein (Schaan) - TanzPlan Ost

Met de steun van
Centre National de la Danse (Pantin) & Ménagerie de Verre (Parijs) in het kader van Studiolab voor de studioruimtes

Met dank aan
Boris Charmatz & de partners en deelnemers van Ateliers danse et voix

R.B. wordt ondersteund door
DRAC Ile-de-France – Ministère de la Culture et de la Communication, Institut français – Ministère des Affaires Etrangères, Office national de diffusion artistique (ONDA)

Back to top

Gesprek met Jérôme Bel over Gala

Sinds Disabled Theater en Cour d’honneur maak je steeds vaker voorstellingen met lichamen en personen die slechts zelden op een podium te zien zijn. Wat is het politieke en esthetische opzet van Gala?
Gala is het resultaat van een zoektocht die redelijk lang heeft geduurd. Jeanne Balibar vroeg me met haar te werken in Montfermeil en Clichy-sous-Bois, waar ze ateliers voor amateurs leidde. Zoiets had ik nog nooit gedaan. Ik heb trouwens nooit lesgegeven. Maar ik had de indruk dat er binnen die context wel een en ander mogelijk zou zijn. Niet alleen zou Jeanne een heleboel dingen aan me doorgeven, daarnaast zou het ook een goede gelegenheid worden om te werken aan problemen waarvan ik aanvoelde dat ze ooit beperkend voor me konden worden. En dus heb ik mijn kans gegrepen! Samen hebben we ons op de organisatie van de ateliers gestort, die onder de noemer ‘dans en stem’ stonden. Tijdens de workshops leerde ik verscheidene deelnemers kennen die een grote belangstelling hadden voor dans en stem – een belangstelling die trouwens niet duidelijk omschreven was. Zelf wist ik niet wat het resultaat zou worden, maar de ontmoeting met hun ‘on-kunde’ bleek erg verrijkend en ook broos, dat kon niet anders. Ik heb beslist om het werk met die groep voort te zetten en er een professionele voorstelling uit te distilleren, hoofdzakelijk door amateurs gebracht. Daarvan is Gala het resultaat. Ik besefte al snel dat, als ik louter met amateurs zou blijven werken, men de voorstelling enkel vanuit een ‘sociaal’ perspectief zou interpreteren. Volgens mij dekt die term de lading niet volledig. Mijn werk is immers in de eerste plaats artistiek van aard, alvorens sociale en politieke consequenties te hebben. Om een beperkende interpretatie te vermijden, vond ik het nodig professionele podiumkunstenaars aan het project te laten meewerken en zo het onderscheid amateur/professioneel en sociaal/artistiek te doen vervagen. Ik had het gevoel dat Gala maar zinvol kon zijn in de vorm van een collectief en open project dat voor iedereen toegankelijk was. Onder de acteurs en dansers vind je dus zowel mensen die nooit eerder een podium hebben beklommen als mensen van wie dat net de broodwinning is, zonder enige vorm van onderscheid.

Tijdens het atelier ‘dans en stem’ bracht elk van de deelnemers eigen elementen aan, gelinkt aan zijn persoonlijke levensverhaal. Daaruit is een reeks subjectieve portretten ontstaan. Moeten we die zien als de rode draad in de dramaturgie van Gala?
‘Amateurs’ zijn per definitie mensen die ‘graag zien’ en ‘graag doen’. De term slaat niet alleen op het ‘niet-professionele’ van die personen, maar ook – en die dimensie moet centraal blijven staan – op hun liefde voor de dans en de podiumkunsten. Omdat het geenszins de bedoeling was om professionele artiesten van hen te maken, probeerden we vooral te weten te komen waar ze van hielden. Ik heb hun gevraagd hoe ze graag dansten, wat hun referenties waren, met wie ze zich vereenzelvigden. Al snel kwam het concept bovendrijven van de dans als cultuur en niet als kunst. De cultuur van de dans. Hoe verspreiden door kunstenaars gecreëerde vormen en stromingen zich in de maatschappij? Dat is een uiterst interessante invalshoek. In vroegere projecten stelde ik me die vraag ook al, maar in het kader van Gala is ze nog helderder aan de oppervlakte gekomen. Ieder van ons draagt kennis in zich – geen ‘choreografische’, maar wel ‘dansende’ kennis – die naargelang van de persoon min of meer complex is. De uitdaging bestaat erin om elke vorm van beoordeling uit de weg te gaan. Wat van belang is, is wat de dans betekent: niet zijn intrinsieke waarde maar wel wat hij tot uitdrukking brengt. Zowel professionelen als niet-professionelen geraken immers vervreemd van de artistieke expressie door de druk van het kwaliteitsdogma, dat op zijn beurt onderworpen is aan de regel van ‘het goed willen doen’.

In feite tracht u opnieuw te vertrekken van de dans als ‘middel’, door te onderstrepen wat de dans overbrengt en niet hoe hij wordt gebracht.
De dans als expressiemiddel, inderdaad. Wat openbaart de dans? Hoe stelt hij elk van ons in staat iets uit te drukken? Mensen die me zeggen ‘ha, maar ik kan niet dansen’, dat interesseert me. Ik heb de neiging om te reageren met ‘maar jawel’. Vertrekken van die onmogelijkheid, van dat ‘ik kan niet dansen’, om vervolgens het oordelende in ons te overstijgen… Iemand die vindt dat hij ‘slecht danst’, dat zegt volgens mij iets over zijn relatie tot zijn lichaam, over zijn cultuur, zijn levensverhaal. Ik koos voor de titel Gala, omdat het de eerste keer is dat ik de mogelijkheden en werkmiddelen die de podiumkunsten me bieden, ten volle heb aangesproken. Ik deed zoiets eerder al in Disabled Theater, omdat de gehandicapte acteurs me toen die richting in duwden en ik hen hun gang heb laten gaan. Vandaag sta ik mezelf toe de ‘macht van het theater’ aan te wenden met betrekking tot mensen die normaliter geen toegang hebben tot de theaterinstrumenten, en die binnen het domein van de dans en het theater geen sterke positie innemen. In Gala probeer ik hen als het ware opnieuw te wapenen – met muziek, kostuums, een publiek…

Het gala-concept is onlosmakelijk verbonden met dat van een nieuwjaarsgala en alles wat dat met zich meebrengt aan magere middelen en heterogene vormen. Voelde je je daardoor tot de gala-vorm aangetrokken?
Een gala staat vooral voor een atypisch format. Ik denk er al jaren over om een fragmentair format te gebruiken, omdat ik me vragen stel bij de gangbare en overheersende formule van de hedendaagse dansvoorstelling die ongeveer een uur duurt. Een artiest heeft een idee en daar bouwt hij een voorstelling rond. Maar soms volstaan vijf minuten om het probleem dat in die idee verscholen ligt, op te lossen! Daar is niet altijd een stuk van een uur voor nodig… Gala is dan ook een patchwork geworden waarin stukken van verschillende lengte en aard zijn opgenomen. Er is iets anders waar ik al jaren over nadenk, een vraag die heel eenvoudig geformuleerd kan worden. Waar komt mijn passie voor het theater vandaan? Ik heb films gemaakt, in musea gewerkt, maar vandaag weet ik dat het theater de plek is die me past, waar ik me goed voel en op mijn plaats ben. Ik heb gezocht naar de kiem van die passie, naar een beslissende ervaring in mijn kindertijd. Pas onlangs besefte ik dat die ervaring het dansgala van mijn zus moest zijn: zo’n gala waar je kinderen per leeftijdscategorie ziet dansen, met de mogelijkheden die hun eigen zijn… Er zijn dus twee redenen voor de keuze van de titel: enerzijds de format en anderzijds een meer persoonlijke reden – het gala als een soort ‘oerscène’. Het feestelijke karakter van de voorstelling komt vooral van de amateurs, die me hebben ingewijd in hun interesse voor de dans. Toen ik een paar jaar geleden een voorstelling met mentaal gehandicapten maakte, overkwam me iets gelijkaardigs zonder dat ik er erg in had. Tot dan toe had ik mijn dansers vooral laten spreken. De mentaal gehandicapten hadden het heel moeilijk om zich aan de hand van taal uit te drukken en bleken al dansend het welsprekendst te zijn. Ik heb hen dan ook laten dansen…

Hoe hebt u de amateurs aangepakt opdat ze niet zouden oordelen en de concurrentiestrijd tussen hun talenten zouden laten varen?
Mijn werkmethode vertrekt van de dans. Het is niet zo dat ‘iedereen maar doet wat hij wil’. Ieder van ons gaat uit van een referentie, van een welbepaalde cultuur. Ik heb de mensen verscheidene dansopties aangereikt: ballet, moderne dans, pop enzovoort. Ik liet hen die filter ondergaan. De dans is er om iets over de wereld te zeggen. Ik heb me altijd al afgevraagd waar de representatievorm van het westerse theater juist voor staat. Het is mijn taak om antwoorden op die vraag te formuleren. Maar niet iedereen voelt zich thuis in de wereld van de podiumkunsten. Het vereist een minimum aan verlangen, ook van de toeschouwers in de zaal trouwens… Ze hebben hun zitje niet veroverd voor een recital of een voetbalmatch. De magie van het theater werkt pas als aan weerszijden van het podium mensen iets van hun verlangen op het spel zetten. Bovendien is het door sterker op dat verlangen in te zetten, dat hun beoordelende reflex uitgeschakeld kan worden.

In het atelier ‘dans en stem’ trok een welbepaalde term mijn aandacht: ‘soevereiniteit’. Het individu opnieuw soeverein laten zijn tegenover de codes van het theater, opdat hij zich niet door die codes ‘laat’ spreken of handelen, maar ze zich toe-eigent.
Ja, daar heb ik het met de dansers vaak over. Doordat amateurs in het maatschappelijk leven een andere rol spelen – en het theater dus niet hun werkplek is – voelen ze zich vrij op het podium en kunnen ze er vertrekken van een puur verlangen. Het is niet zo evident om ook de professionele dansers te redden, hen zo ver te krijgen dat ze opnieuw op zoek gaan naar het verlangen in hen. We werken rond simpele vragen als ‘Hoe voelt het om te draaien?’ Draaien, dat is een specifieke gewaarwording. Een kind van twee jaar gaat ernaar op zoek, begint rond zijn as te draaien wanneer er muziek aanstaat. Waarom draaien kinderen in het rond? Omdat hun dat een welbepaald gevoel geeft. Met mijn amateurs werk ik rond de pirouette, die uiteindelijk niets anders is dan een gesofisticeerde versie van een draai. ‘Pirouette’ is weliswaar een technische term uit de klassieke dans, maar is ook gangbaar in het algemene taalgebruik. Rond dat aspect werk ik graag: hoe een specifieke term, die tot een welbepaald betekenisveld behoort – dat van de ‘professionnels de la profession’, om het met de woorden van Godard te zeggen – ook buiten dat betekenisveld gebruikt wordt. Het stuk focust op de afstand tussen gespecialiseerd en algemeen taalgebruik, tussen avant-gardecultuur en populaire cultuur. Mijn doel is om een voorstelling te creëren die zich tot beide richt. Daarvoor is een welbepaalde productiestrategie nodig: we spelen ook op plaatsen waar ik normaal gezien nooit kom. Allereerst in de Parijse banlieues: het Festival d’Automne zorgt ervoor dat het stuk niet alleen in Parijs zelf wordt getoond, maar ook in Cergy, Aubervilliers en Tremblay-en-France [na de creatie in Brussel in mei 2015, nvdr]. Het is een interessante uitdaging om zuiniger te werk te gaan en andere productiemethodes te hanteren. Uiteindelijk berusten artistieke keuzes op productionele en financiële keuzes. Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat er iets interessants gaande is wanneer een artistiek project verandering brengt in onze ‘manier van doen’ en op organisatorisch vlak een nieuw evenwicht vergt. Wanneer het systeem wankelt en we genoodzaakt zijn onze gewoontes te wijzigen, hebben we ongetwijfeld met een interessant gegeven te maken.

Dit interview werd gerealiseerd door Gilles Amalvi voor het Festival d’Automne à Paris 2015

Back to top

Jérôme Bel (1964) leeft in Parijs, maar is met zijn creaties alom aanwezig op de internationale podia. Zijn eerste voorstelling, nom donné par l’auteur (1994), is een choreografie van objecten. Daarna volgt Jérôme Bel (1995), waar hij van de volstrekte naaktheid van de dansers vertrekt. In zijn derde voorstelling, Shirtologie (1997), voert hij een danser op die meer dan tien lagen T-shirts boven elkaar draagt. Met Le dernier spectacle (1998), waarvan de titel refereert aan de solo van choreografe Susanne Linke en waarvoor figuren als Hamlet en André Agassi als inspiratiebron fungeren, tracht Jérôme Bel tot een ontologie van de levende voorstelling te komen. De voorstelling Xavier Le Roy (2000) wordt geheel door choreograaf Xavier Le Roy uitgevoerd. In The show must go on (2001) delen twintig dansers, negentien popliedjes en een dj het podium. In 2004 maakt Jérôme Bel voor de Opéra de Paris Véronique Doisneau (2004), een solo voor de gelijknamige corps de ballet-danseres. Een Braziliaanse versie daarvan is Isabel Torres (2005) voor het ballet van het Teatro Municipal van Rio de Janeiro. Pichet Klunchun and myself (2005) komt in Bangkok tot stand, in samenwerking met de traditionele danser Pichet Klunchun. In 2009 creëert Jérôme Bel Cédric Andrieux (2009) voor de gelijknamige danser die actief is bij het Merce Cunningham Dance Company en het Ballet de l’Opéra de Lyon. In 2010 creëert hij samen met Anne Teresa De Keersmaeker Abschied (2010), een solo op Das Lied vond der Erde van Gustav Malher. In 2012 creëert Jérôme Bel Disabled Theater (2012) voor de professionele, mentaal gehandicapte acteurs van het Theater Hora in Zurich. Cour d’honneur (2013) komt tot stand in het kader van het Festival d’Avignon en is een voorstelling voor veertien toeschouwers op de zuidelijke binnenplaats van het Pausenpaleis. De films van Jérôme Bels creaties worden getoond in musea en op biënnales voor hedendaagse kunst. Jérôme Bel krijgt in 2005 een Bessie Award voor The show must go on in New York. In 2008 ontvangen Jérôme Bel en Pichet Klunchun de ECF Princess Margriet Award for Culture (European Cultural Foundation) voor de voorstelling Pichet Klunchun and myself . In 2013 wordt Disabled Theater geselecteerd voor het Theatertreffen in Berlijn en krijgt diezelfde voorstelling de Prix suisse de danse (hedendaagse danscreatie).

Back to top