De repente fica tudo preto de gente

Halles de Schaerbeek

19/05 – 15:00 + 20:30

20, 22, 23, 24/05 – 20:30

25/05 – 15:00 + 20:30

1h


In 2006 keerde danser en choreograaf Marcelo Evelin na twintig jaar in Europa terug naar Teresina, zijn geboortestad in de schaduw van het exotische Brazilië. Het veeleisende Matadouro joeg in 2012 een schokgolf door het Kunstenfestivaldesarts en zijn jongste voorstelling doet opnieuw stof opwaaien. De repente fica tudo preto de gente (‘Plots is het overal zwart van het volk’) brengt dansers en publiek samen in een opstelling van opwindende nabijheid. Aan de basis van dit inktzwarte stuk ligt het essay Masse und Macht (1960), waarin Elias Canetti het onheilspellende fenomeen van de mensenmenigte tracht te ontraadselen. “Plots speelt alles zich af zoals binnenin een lichaam […] Men zegt dat de beweging van de ene communiceert met de anderen, maar er is meer: ze hebben een doel, namelijk het diepste zwart.” Marcelo Evelin ontlokt de pikzwarte oermaterie om ons in het wit van de ogen te kunnen kijken. Het resultaat is een groot obscuur organisme van lichamen in het niemandsland tussen toenadering en afstoting, tussen toebehoren en uitsluiting. Bezwerend.

Door & met
Andrez Lean Ghizze, Daniel Barra, Elielson Pacheco, Hitomi Nagasu, Jell Carone, Loes Van der Pligt, Marcelo Evelin, Márcio Nonato, Regina Veloso, Rosângela Sulidade, Sérgio Caddah, Sho Takiguchi, Tamar Blom, Wilfred Loopstra

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Halles de Schaerbeek


Productie
Demolition Inc. (Teresina)

Coproductie
Kunstenfestivaldesarts, Panorama Festival (Rio de Janeiro), Kyoto Experiment met de steun van Saison Foundation (Japan)

Met de steun van
Theater Instituut Nederland, Performing Arts Fund NL

Met dank aan
Projeto LOTE 24h / Cristian Duarte, Theaterschool Amsterdam & Núcleo do Dirceu

Dit project werd onderscheiden door
Fundação Nacional de Artes - Funarte met de Prêmio Funarte de Dança Klauss Vianna 2011

Gecreëerd in Rio de Janeiro in november 2012

Back to top

Een bende, een clan, een samenscholing. Oproer en opstand, een oorlogsdans, een guerrillabeweging, een feestelijk ritueel, een kudde op jacht. Beesten getransformeerd in mensen doorheen de lange en gerafelde mazen van de tijd. Ontheemden misschien, joden op zoek naar het beloofde land of naar de gaskamers gedwongen, bandieten uit Canudos of outlaws van de Sertão. Misschien zijn het Aboriginals, Eskimo's, nomaden in een immense woestijn, Toeareg tussen brandende duinen, mariniers uitgespuugd door de woeste zee. Of misschien wel de 50 mannen, 50 vrouwen en 70 kinderen van de indianenstam Guarani-Kaiowá die ernstig bedreigd worden door een overheid die het spel van haar macht speelt ten koste van onschuldigen. Misschien is dat nog het best, de Guarani-Kaiowá, hen rest namelijk niets meer en elke poging om over een groep te spreken - als ras, als cultuur, als belichaamde territorialiteit - botst frontaal tegen deze subjectief afgekondigde slachting, een krachtige uitdrukking van wat in biopolitieke termen 'het naakte leven' heet.

De knoop, de verwarring. Het Babel uit antieke tijden, de gangen van Amerikaanse torens die rokende vliegtuigen herbergen, tumult, een doodlopende steeg, de wachtzaal van de hel. De angst in haar meest griezelige vorm, de kwaadaardige mechanismen die de hedendaagse mens verpauperen, net daar waar er vooruitgang en technologische vernieuwing moest zijn, de dispositieven van de macht parallel en uitgelijnd, voor iedereen op wereldwijde schaal toegankelijk. De angst voert mij naar de ander als in een beweging naar mijzelf. Zich naar de andere keren, in de andere binnendringen, met de andere samensmelten om te ontsnappen aan je eigen angst en aan het onmetelijk gevoel dat het bestaan overstroomd wordt door die angst.

Het computerscherm in een vliegtuig dat de af te leggen en reeds afgelegde vlucht toont, met een miniatuurvliegtuig dat in Afrika vertrekt en de oceaan kruist om er de duizelingwekkende oversteek naar Rio de Janeiro te maken. Ik denk aan de groep mensen die van de ene kant naar de andere wordt gejaagd, ze zijn fragiel en wankel, altijd onvoorbereid, vergeefs een evenwicht zoekend, een exodus, migratie, diaspora, verbanning, ze hertekenen voortdurend de ruimte en politiek van een landschap dat vloeit en vervloeit.

De val bestaat erin tegelijkertijd te zwichten en te weerstaan, zich over te geven en stand te houden, te volharden en op te geven. Het lichaam dat vastzit aan een moleculaire dierlijkheid, van toen we water en atomen waren, koppig in onze onstuitbare evolutie. De verticale lijn, de ruggengraat als loodrechte naar het centrum van de schedel, wervel boven wervel, volgens de logica van een zuil: de tweevoetige arrogantie is geboren, roept zijn overwinning uit over de zwaartekracht en richt zich verder op in intelligentie en in rede. Met die twee krachten, de beruchte voorwendselen van de macht, de logica, de moraal, de instituties, de controle, de discipline en het gezond verstand.

Karada. Japans voor lichaam. De dialectische notie van het 'lichaam' in het Japans omvat uit zichzelf al de leegte, het vlees wordt van het bot gescheurd, zodat lijfelijk zijn hetzelfde is als leeg zijn. Karada is the big emptyness, de resonantie van het niets, van het niet-zijnde, of het niets als 'iets' dat niet bestaat. Het eerste moment waarop de lichamen zich scheiden onderstreept de fataliteit van het eigen bestaan, datgene wat we niet onder ogen willen zien, wat we niet willen trotseren, omdat we zouden bezwijken onder het monsterlijk gewicht van de waarheid. Het lege lichaam is het lichaam dat danst, het lichaam dat zich cel voor cel hernieuwt in een kosmische en transcendente beweging. Het lege lichaam is het dode lichaam, en niet het lichaam dat sterft, of dat zich beperkt tot de tekenen van de dood, het lichaam dat voorbijgaat aan de conditie van levensverwachting en dat zich volledig overgeeft aan een zachte, voorbestemde, zekere dood. Het lege lichaam laat het ego uit zichzelf wegvloeien als een gat, een belichaamde holte, waar de lucht doorheen waait en het kwijl wegsijpelt, de stroperige vloeistof die de levensader van de ongeordende taal zou kunnen zijn, nog niet verbogen tot woord noch teken, nog niet verstoord door de retoriek en linguïstiek.

Het lege lichaam dat tussen spieren, botten en pezen zit geplooid. Plooien en dus geen kreuken, plooien die de precieze plaats markeren op het witte blad, de markering van wat al lang niet langer is. De plooi vouwt zich naar al wat in dat lichaam zit, alles en eender tegelijk, het lichaam als bundel kracht, als vector van oneindige mogelijkheden. Het lege lichaam waardoor nog steeds een hartslag raast, een groet, een uitgevouwen afscheid. De hand die wijst, die zwaait, die de ideologie bekrachtigt die eigenlijk verloren is, achterhaald, verteerd door geloof tegen een externe macht. De vuist die de inwendige macht omsluit en er bovenmatig in nijpt, de vijand verplaatst naar de binnenkant van het lijf, in darmen geborgen, in de plooien van de organen en de overgebleven ingewanden.

Paniek is zowel ontlading als geanticipeerde dispersie. De ontploffing van een ontvlambare menigte. Een menigte die bestookt, die met vuur iets najaagt, brengt het universum terug tot een individu, de schuldige, de Christus, het offer, degene die voor de leeuwen moet worden geworpen.

Marcelo Evelin

Back to top

Marcelo Evelin is een choreograaf, performer en onderzoeker die vanaf 1986 in Europa leefde. Hij werkt met dans en fysiek theater en doet dat samen met professionals van verschillende nationaliteiten en achtergronden. Dat resulteert in muziek, video, installaties en het bezetten van specifieke plaatsen. Hij is in residentie bij Het Veem Theater in Amsterdam met zijn gezelschap Demolition Inc., doceert improvisatie en compositie aan de Mime School, Amsterdam, creëert voorstellingen en begeleidt studenten in creatieve processen. Evelin geeft workshops en neemt deel aan projecten in verschillende landen in Europa, Amerika, Afrika, Zuid-Amerika en Brazilië, naar waar hij in 2006 terugkeerde. Sindsdien is hij ook manager en curator, en coördineert het door hem opgerichtte Núcleo do Dirceu in Teresina, Piauí, een platform van onafhankelijke kunstenaars. Daarnaast doet hij research naar de ontwikkeling van hedendaagse performance kunst. Núcleo werd twee maal onderscheiden door de Association of Arts Critics of São Paulo (APCA): in 2008 als Best Public Policy for Dance, en in 2011 voor “Production, Formation, Creation and Diffusion in Dance”. Marcelo´s meer recente performances, Bull Dancing (2006) en MONO (2008) waren te zien in Brazilië en daarbuiten. Nadien bracht hij in november 2010 samen met Núcleo do Dirceu MATADOURO op het Panorama de Dança Festival/Rio de Janeiro, Galpão do Dirceu/Piauí en SESC Arts Exhibition/São Paulo – het sluitstuk van de trilogie gebaseerd op Euclides da Cunha: het land in Sertão, de man in Bull Dancing en het gevecht in Matadouro (Kunstenfestivaldesarts 2012).

Back to top