Danse, danse, danse tant que tu peux

Comptoir du Nylon

9. 10. 11. 12. 13. 14/05 > 10:00 - 18:00

Het centrum van Brussel op een lentedag, tijdens de kantooruren. Terwijl iedereen zijn gewone gangetje gaat en zich met gebogen hoofd langs een overvolle stoep spoedt, haalt een dansend koppel ons uit de dagelijkse sleur en laat ons op adem komen met een flits onverwacht geluk. Lise Duclaux gunt ons vanachter een winkelraam een blik op een leven dat lak heeft aan haast en rendabiliteit.

Project:

Lise Duclaux

Met:

Gregory Grosjean, Aleksandra Janeva, Yuri Korec, Chloé Dujardin, Gustavo Miranda

Productie:

on location asbl (Bruxelles/Brussel)

Coproductie:

KunstenFESTIVALdesArts, Echevinat de la culture de la ville de Bruxelles - Schepenambt voor Cultuur van de Stad Brussel

Met de steun van:

Communauté francaise Wallonie-Bruxelles

Dank aan:

Michèle Anne de Mey, Frédéric Jadoul, Nicolas Gasnier

Presentatie:

Comptoir du nylon, KunstenFESTIVALdesArts

Back to top

Danse danse danse tant que tu peux – sinon tu étouffes

Dans dans dans zoveel je kan – want anders stik je.

Lise Duclaux maakt de gedroomde vitrine voor een populaire winkelstraat in de lente. Tussen de bakkers, slagers, viswinkels en Chinese supermarkten van de Katelijnestraat presenteert zij een vitrine met een weerslag van de essentie van het leven: een dansend paar. Van 10 uur tot 18 uur, van maandag tot zaterdag, dansen er twee mensen non-stop met elkaar. Ze spelen met elkaars fantasie, dagen elkaar uit, verleiden, trekken aan, duwen af. En ze lachen. Van het gedeelde geluk dat liefde is.

Stelt Lise Duclaux tentoon of biedt ze aan wat mensen in winkels hopen te vinden? Maakt ze een installatie of brengt ze een dansvoorstelling? Is ze choreografe of beeldend kunstenaar? Gaat het om mannen en vrouwen, om geen van beide of om iedereen?

Lise Duclaux werkt graag met populaire vormen, de fotoroman, de affiche. Ze onderwerpt die minutieus aan methodes van deconstructie en decontextualisatie. Zo onstaan er werelden die tegelijk heel erg vertrouwd zijn en beklijvend vervreemdend. Ze gooit het leven terug op de eerste graad van de interpretatie: wat er is, is waar je het mee doet. Door de complexiteit van de wereld op zich, door de informatie die ons omringt, waarmee we vaak niet akkoord zijn, maar waaraan we niet kunnen ontsnappen, krijgt Lise de indruk dat we het leven in de eerste graad wel eens durven vergeten.

Het uitgangspunt is een lege vitrine, een etalage in een drukke alledaagse winkelstraat. Lise stelt zich niet de vraag over wie die ruimte runt, welke er de politieke of sociale doelstelling van is. Ze vertrekt vanuit de oorspronkelijke definitie van de ruimte en gebruikt die telquel, met de wetten en bepalingen die eraan verbonden zijn, in dit geval het ritme van het winkelleven. Via decontextualisatie voegt ze een nieuw beeld toe aan de alledaagse wereld. Dansen is niet iets wat je daar op die plek en op dat uur verwacht. Het is een uitdaging voor alle stofzuigers, wasmachines, zitbanken en modepoppen die ooit een etalage hebben gesierd. Met de dansers creëert Lise een beeld van levenskracht, van natuurlijke energie, van de essentie van het leven die elk mens in zich draagt en die te weinig aandacht krijgt. Het beeld is als een zonnige lentebries in het sombere landschap dat deze maatschappij kan zijn.

‘Dans is op zich al een uitdrukking van levenskracht,’ zegt Lise, ‘Het maakt je gelukkig of je danst wanneer je gelukkig bent. Wanneer je helemaal down bent, heb je helemaal geen zin om maar iets te bewegen.’ Dans in de vitrine is een weergave van dat levensgeluk.

En het wordt gedeeld. Door een man en een vrouw of misschien wel door twee mannen en twee vrouwen. Het accent ligt niet op de sexe. Ze dragen de uniforme kleding van alledag. De jongens mogen ook de meisjespasjes dansen en vice versa. De dansers jongleren met het hele scala van populaire dansen die ons dagelijks omringen: van rock tot salsa, jive, swing, merengue, wals, en zelfs de oosterse dansen die je ziet op de tv-schermpjes in de nightshop van de Pakistani. Muziek is de motor, maar de paartjes zijn vrij om alle stijlen zoveel mogelijk door elkaar te gebruiken. Het gaat om een weergave van de cocktail van wat ons dagelijks omringt, wat we horen en gebruiken zonder speciale inwijding. De dansers worden niet verplicht om goed te dansen. Ze mogen op elkaars tenen trappen, vallen, uitschuiven. Maar ze moeten wel glimlachen.

Het is geen voorstelling. Er is geen begin, noch een einde. Niemand komt om het hele spektakel te zien. Je hebt geen kaartje nodig. Het speelt niet ’s avonds. Er zijn geen kostuums. Toeschouwers worden niet uitgenodigd om mee te dansen. Ze horen de muziek nauwelijks van op straat. Het fenomeen duurt een week, maar het zou ook een hele maand kunnen bestaan. Omwille van praktische redenen werkt Lise met professionele dansers, maar dat zou ook u kunnen zijn geweest. Het liefst van al een doorsnede: jonge, oude, rijke, arme, klein, grote, dikke, dunne mensen.

Want de dansers dansen niet voor een publiek. Ze dansen voor zichzelf. Ze dansen met elkaar. Samen. Ze staan buiten de wereld. Ze zitten vervat in een bel die liefde heet, of droom, of verlangen, die plezier heet en vreugde, die geluk heet voor zovele mensen. Ze kijken niet naar de straat. Ze zijn met elkaar.

De mensen op straat vangen een glimp op van hun intimiteit. Het verrast. Misschien stoppen ze even hun gehaaste tred, misschien lachen ze of lopen ze onverschillig verder, of misschien zal er wel eentje zijn ommetje in een danspas verder zetten. De dansers amuseren zich en doen de goesting, het verlangen, de kracht van het spel en het plezier overslaan naar de wereld daarbuiten. Lise: ‘Het zou toch fantastisch zijn, moesten we allen dansend de straat op gaan en zingen als we iets zeggen!’

Het is Lises instelling, maar het is ook haar avontuur. Aan alles wat ze doet, zitten scherpe kantjes. Op fijnvoetige manier plaatst ze zonnige humor in een dramatische setting. Haar personages streven een innerlijke wereld van vreugde en zorgeloze romantiek na, maar botsen voortdurend met de context van de werkelijkheid. Romantische scènes en beelden worden bruusk onderbroken door ronkende vuilniskarren en oorlogsberichten (film Tes cheveux dans mes yeux) of fysiek geweld (fotoroman Love is for the birds). De personages – een vrouw of een paartje – kunnen niet vertrekken uit de maatschappij die hen omringt naar de ideale innerlijke wereld waarin zij leven. De spanningsmomenten leiden uiteindelijk nergens heen. De personages zitten erin vast. We zitten er allemaal in vast.

Ook de dansinstallatie blijft een ideëel beeld. De vitrine toont het mogelijke, maar in de geslotenheid ervan ligt tegelijk de onbereikbaarheid. Dans is een beeld van spanning tussen twee mensen. In deze gekunstelde context tintelt het onder een glazen stolp. Het is een moment met een mentale potentialiteit. In het beste geval produceert het dus goesting, goesting in het leven. Als dusdanig vormt het de poort naar het mogelijke die Lise interesseert en die haar werk zin geeft.

Er schuilt een poëtische aanklacht tegen de consumptiemaatschappij in haar werk, met een naarstige deconstructie van bestaande modellen en technieken (o.a. vanuit de modefotografie, de film) en een doelbewuste transpositie van droom en realiteit. In de film schuiven volgende woorden over het beeld van een supermarkt met grote lege parking aan een rijksweg: ‘à peine le temps – de comprendre la poussière – du sol se soulève le ciment – éclate partout ils tombent – morts.’

De mosterd vindt ze bij Deleuze, voor wie creëren weerstand bieden is. ’Croire non pas à un autre monde mais au lien de l’homme et du monde, à l’amour ou la vie, y croire comme à l’impossible, à l’impensable qui pourtant ne peut être pensé: ‘Du possible sinon j’étouffe.’ (Gilles Deleuze, L’image-Temps).

Dat laatste werd de titel van een ‘in situ’-tentoonstelling, Du possible sinon j’étouffe/iets mogelijk of ik stik. Lise bekleedde het hele interieur van het doplokaal van Sint-Joost met foto’s van een dansende man en vrouw. Geel en groen straalde van de muren, zon en lente, hoop, vreugde, energie, liefde en geluk. Zonder stroperig of dromerig te zijn. Realistisch dankzij de casting van de modellen die geen fotomodellen zijn. Ze gaf ook eigenhandig gestekte plantjes mee aan de bezoekers. Vanwaar de idee om elk plantje te voorzien van een etiketje met zijn levensverhaal: gestolen in een winkel in Bosvoorde, afkomstig van de moederplant van Petra Bungert, gevonden in het Zoniënwoud. Of nog: Pommier d’amour: ‘Attention: comme parfois l’amour, plante et fruit toxique’. Mensen kregen het verhaal en konden het verder cultiveren. Kleine creaties die op eigen houtje verder leven.

Lise Duclaux creërt zuurstofbellen, intimiteit vol zon en kleur. Ze geeft symbolisch kansen. Adempauzes. Leven. In Pougues-les-Eaux keek de administratieve ploeg van het Centrum voor Hedendaagse Kunst uit op een grauw vuil binnenkoertje. Na een jaar wuifden er een dertigtal verschillende types veldbloemen. En met de bloemen kwamen er slakken, vogels, vlinders. Soms is het zo eenvoudig. ‘Die eenvoud is op dit moment het enige wat ik me in deze ‘complexe’ wereld met veel overtuiging zie uitdragen,’ lacht Lise. ‘Van de rest zou ik veel te moe worden. Het fascisme staat aan de deur, mensen meten zich 101 houdingen aan en vergeten te leven. Terwijl er hier zoveel vreugde en plezier te rapen valt. Het klinkt heel erg paradoxaal, ... but it’s so good to be alive!’

An Mertens

Back to top